Ileen
Montijn

 

De democratische paraplu

8 maart 2017

Louis-Léopold Boilly, Le passeur, of L'averse (c. 1803). Louvre, Parijs.

Louis-Léopold Boilly, Le passeur, of L'averse (c. 1803). Louvre, Parijs.

Het regent en ik denk over paraplu’s. Zou iemand al paraplu’s in de kunst verzamelen? Ik ken er maar weinig: Caillebotte’s Parijzenaars in de regen natuurlijk, en de regenbui van Vallotton. Maar verder? De paraplu, even nuttig als alledaags, is pas sinds een paar decennia in verpletterende aantallen in het straatbeeld aanwezig. Waarom? Ooit was hij natuurlijk te duur voor veel mensen, maar er was nog een ander bezwaar.

Wie hem in de 19de eeuw kon kopen, beschikte al gauw ook over een rijtuig, en had hem dus niet nodig. En wie met een paraplu liep, toonde daarmee dat hij geen rijtuig had. Als je ‘paraplu’ opzoekt in het Woordenboek der Nederlandse Taal, vind je een citaat van H.P.G. Quack (1834-1917) dat dit bevestigt: ‘Mannen die met een parapluie naar de vergadering gingen als ’t regende, die geen rijtuig er op na konden houden.’ In de Wikipedia wordt een Franse chroniqueur geciteerd die al in de 18de eeuw hetzelfde zegt.

Het is dus een erg democratisch ding, de paraplu. Bijgaand schilderij van Louis-Léopold Boilly (c. 1803) toont een deftig gezin dat op straat door een bui wordt overvallen. Zij hebben geen paraplu’s, het volk dat ze omringt wel. Via een verrijdbaar plankier mogen ze met hun mooie schoentjes de goot oversteken, maar mijnheer lijkt niet van zins de gevraagde fooi te betalen. De krent. Geen paraplu voor de chic, dat is tot daar aan toe, maar geen hart voor iemand die moeite voor je doet, dat gaat te ver.