Ileen
Montijn

 

De ontluistering van het toilet

14 juni 2018

Gustave Caillebotte, Vrouw aan haar toilet (1873)

Gustave Caillebotte, Vrouw aan haar toilet (1873)

Het is tragisch gelopen met het woord ‘toilet’. Oorspronkelijk moet dat volgens het grote Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) op een fijne stof hebben geduid, als verkleinwoord van het Franse toile, doek of stof. Van daar ging het over op een soort beschermdoek of -kleed, en wel in het bijzonder op een tafel waaraan je gaat zitten om je mooi te maken met poeders en verfjes. Om ‘toilet te maken’, nietwaar. Zo ontstond de toilettafel, of, bij Couperus, kortweg ‘toilet’. (Het toilet van Eline Vere, geheel in tule gehuld, is feestelijk versierd met gedroogde balboeketjes.)

Ook kreeg je ‘toilet’ als iemands uitmonstering: namiddagtoilet, avondtoilet – datgene waarvoor wij nu het woord outfit gebruiken.

Voorts had je in deftige huizen de toiletkamer. Het WNT noemt dat zeldzaam, maar het bestond, en het zou nog moeten bestaan: een kamer waar vrouwelijke gasten zich konden opdoffen vóór ze hun entree maakten. Ook werd daar hun jas aangepakt, en natuurlijk was er een wc’tje bij.

Maar die vermaledijde wc heeft alles opgevreten. Wie nu toilet zegt, bedoelt de plee. Snobs weten dat dat kleinburgerlijk (want eufemistisch) taalgebruik is, maar zij verliezen terrein. ‘Toilet’ is onherroepelijk en alleen maar de wc geworden. En om de ontluistering compleet te maken, is in het verpleeghuis het ‘toiletteren’ uitgevonden als overdrachtelijk werkwoord. Even mevrouw De Jong toiletteren.

Terwijl ook ‘toiletteren’ ooit een prima woord was! Lees: ‘Uw oom is steeds nog op het ministerie,’ zei tante… ‘hij zal wel te huis wezen tegen den tijd, dat gij u een beetje getoiletteerd hebt, ma chère enfant.’ (In een boek uit 1858, aangehaald in het WNT.)

Zo kan het gaan in de geschiedenis, zeker die van taal: alles wordt plat en beduimeld.