Ileen
Montijn

 

Een wasje

3 september 2018

J.P. Albach, Wasgoed tegen de achtergevel van Zeedijk 16, gezien vanaf de Oudezijds Voorburgwal, c. 1938. Foto Stadsarchief Amsterdam

J.P. Albach, Wasgoed tegen de achtergevel van Zeedijk 16, gezien vanaf de Oudezijds Voorburgwal, c. 1938. Foto Stadsarchief Amsterdam

Nog even een wasje draaien. Hm, machine niet vol, maar dat mag voor een keertje. Er is een knop voor, het gaat nog lekker snel ook: 73 minuten maar. Daar hangt-ie al!

Ik was bijna nooit iets met de hand, want mijn machine is heel goed in wol en fijn. Maar ik denk er vaak aan, dat wassen altijd het zwaarste werk in huis was. Gloeiend zeepsop aan ruwe handen – kloven, wie ze eens gehad heeft weet hoe vreselijk pijnlijk die zijn – zware pakken nat wasgoed, en dan het boenen op kragen, manchetten, op de vlekken in de schorten, de vettige verkleuring door hoofdhaar op kussenslopen. Borstelen, koken, de weeë geur van de was door het hele huis.

Misschien heeft na die van de verdoving geen andere uitvinding zó veel bijgedragen aan het comfort van de mens als die van de wasmachine. Wie rijk was had er natuurlijk personeel voor, dat geldt voor alles; maar dat betekende dat de rest nog veel méér moest wassen. Met de hand. En juist voor hen was het heel belangrijk om schoon voor de dag te komen. ‘Als het maar schoon en heel is,’ het is zo makkelijk gezegd terwijl het heel, heel hard werken was.