Ileen
Montijn

 

Kapstok en jassenboom

26 december 2016

L: Jan Luyken, Het leerzaam huisraad 1711, 'Kapstok'. 
R: Eikenhouten kleerstandaard met zes vaste kleerhangers, c. 1850-1875.

L: Jan Luyken, Het leerzaam huisraad 1711, 'Kapstok'. R: Eikenhouten kleerstandaard met zes vaste kleerhangers, c. 1850-1875.

Kleren opbergen, het is wel een onderwerp. Eerder schreef ik hier dat de losse kleerhanger pas ruim een eeuw bestaat; voordien werden kleren opgevouwen en in kisten of kasten gelegd. Wat ik niet vermeldde is dat ze wel degelijk óók werden opgehangen, maar dan aan knoppen, of haken, die aan de muur of in hangkasten zaten.

Het meest gebruikelijk waren knoppen aan een plank tegen de muur. Vaak hing er een gordijn voor, omdat dat netjes stond en om stof en licht tegen te houden. Het wordt beschreven in het Woordenboek der Nederlandse Taal onder het trefwoord ‘kapstok’: Houten regel met gedraaide houten pennen (of metalen haken), al of niet overdekt door een soort van luifel of kap en door een schuifgordijn afgesloten, dienende tot het ophangen, het weghangen van kleederen.

Eh – overdekt door een kap, vandaar kapstok? Nee, dat moeten we ook weer niet denken, want dat woord is dan al verklaard uit het feit dat men zijn kap eraan ophangt. En die stok is dus ook niet per se het rechtopstaande geval met vertakkingen, want dat is in het WNT pas de derde betekenis van het woord, met als vrolijk-makend synoniem het woord ‘jassenboom’.

Dat kleerhangers na hun uitvinding ook wel ‘knaapjes’ werden genoemd is dan weer, omdat ze waren afgeleid van de standaard, bijgenaamd ‘knaap’, waar een heer zijn pak aan kon ophangen, als hij zich te ruste begaf; die dingen bestaan nog, vooral in de betere hotelkamers. Ze werden gezien als een soort stomme knecht – of knaap.

Als ik doordraaf, is het omdat ik dit allemaal zo ontzettend leuk vind om te weten. Taal, kleren, en hoe het voelde om vroeger te leven: het is een onweerstaanbare combinatie.