Ileen
Montijn

 

Onwelriekende naaisters

21 juni 2017

Het naaiatelier van Maison de Bonneterie in Den Haag, 1907. Foto uit Tot op de draad, de vele levens van oude kleren.

Het naaiatelier van Maison de Bonneterie in Den Haag, 1907. Foto uit Tot op de draad, de vele levens van oude kleren.

De macht van standsverschil: een eeuw geleden was die dwingend, alomtegenwoordig. In Dieuwke Grijpma’s boek Kleding voor de elite, Nederlandse couturiers en hun klanten 1882-2000 kom ik zojuist een wel heel rauwe versie tegen. Het gaat over de kinderen van de rijken, voor wie gewoonlijk kleren werden gekocht bij Hirsch of de Bonneterie. Van mijlenver zag je het verschil met de lorren waarin armeluiskinderen gekleed gingen.

Aan de jurkjes uit het luxe modehuis moest vaak nog iets vermaakt worden voordat ze goed pasten; daar hadden die winkels grote naaiateliers voor, de ‘pomp’ (ik vertel erover in mijn boek Tot op de draad). Maar Corrie Jonker, geboren in 1907, vond het helemaal niet leuk om met moeder langs de Bonneterie te moeten voor dat vermaken. ‘Daar hadden we een enorme hekel aan, want die atelierjuffrouwen stonken zo. Ze hadden van die vieze haren. Als ze over de grond kropen om onze rokken af te spelden, knepen we altijd onze neuzen dicht.’

In 1830 gebruikte de Engelsman Edward Bulwer-Lytton in een roman de aanduiding the great unwashed voor het lage volk. Het werd een gevleugelde term, wreed en (zo hoop je, denk je) overdreven. Maar bij de herinneringen van dit verwende kind moet je er onwillekeurig aan denken.