Ileen
Montijn

 

Cultuurgoed – over klederdracht

Achterpagina NRC Handelsblad, 27/11/2000

Zij wilde zo dolgraag in burger. Aaltje Bouwman moest van haar ouders de Staphorster klederdracht dragen: het zwarte kapje dat je haar helemaal verbergt, het grote oorijzer met spiralen die tegen je kaken drukken, de witte muts, ze had er een bloedhekel aan, maar ja. Haar vader was ouderling, dus er was geen ontkomen aan. Alsof zij een afwijking had, als een travestiet, zo ging Aaltje wel eens bij een vriendin thuis in burger. Er zijn nog foto’s van. Je ziet haar knie, in panty, onder de rok vandaan komen. Toen zij 21 was had ze er genoeg van. Ze ging uit de dracht, er van door. ,,Gevlucht, dat kan ik echt wel zeggen ja,” lacht ze.
Het verleden is nog ontzettend dichtbij. Mensen die opgroeiden in een compleet andere wereld dan de onze lopen gewoon rond, alleen weten we het meestal niet. Het is ook een beetje raar om ernaar te vragen: mevrouw, hoe zag u er vroeger uit? Of aan een andere mevrouw: waarom draagt u zo’n feestelijke muts, en die dikke rode bloedkoralen?
Je kunt het niet vragen, maar je wilt het wel weten, en de vrouwen in kwestie vertellen er graag over. Als je ze hoort begrijp je ineens iets van hun leven, zie je hoe het zit. Ik deed dat in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, en was diep onder de indruk van – ja, hoe moet je het noemen: een demonstratie? Een documentaire? Hoe dan ook, het is op video, en het is fantastisch.
Drie vrouwen vertellen over vroeger en over hun klederdracht, terwijl ze bezig zijn hun muts op te zetten. Ze kijken je recht in het gelaat, want ze zijn gefilmd door een spiegel heen, de spiegel die onmisbaar is bij het gepruts waarmee die ingewikkelde hoofdtooi op z’n plaats moet worden gezet. Ondermuts, oorijzer, muts,spelden. ,,M’n moeder zette het ijzer gewoon staande op in de keuken voor het keukenspiegeltje, maar mijn moeders moeder, die lag op de knieĆ«n voor de stoel…”
De mevrouw met de feestelijke muts en de kralen is Tannetje van Belzen uit Arnemuiden op Zuid-Beveland. Zij heeft zo’n rolletje boven d’r voorhoofd waarvan je je altijd afvraagt hoe het is gemaakt. Haar filmpje begint vreemd, je ziet een hoofd met loshangend grijs haar, het lijkt een achterhoofd- tot de handen verschijnen met een kam en een worstvormig kussentje. Dat wordt het rolletje. Even later omvat de muts haar hoofd van achteren af, een schaal van wit gesteven kant. Heel moeilijk strijken, zegt mevrouw Van Belzen, dat kan niet iedereen. Als je in het bejaardenhuis komt is dat wel een probleem: die meisjes daar kunnen je niet aankleden, ze zijn het niet gewend.
De derde is Jacoba Haasnoot uit Katwijk. Zij vertelt hoe haar moeder haar als klein meisje in de herfst naar buiten stuurde om te kijken of de andere vrouwen op weg naar de kerk de doek al om hadden. Als dat zo was deed zij hem ook om, een wollen doek met franje, de laatste mode in Katwijk, jaren dertig. Mevrouw Haasnoot weet nog hoe lekker het voelde, als je dan gearmd met moeder liep, en een arm onder die warme doek stak.
Een kwartier, langer duurt het niet om de filmpjes te zien en de verhalen te horen van die vrouwen. Daarna kun je nog door de grote zaal met klederdrachten lopen, kijken naar de zestien schattige Marker kindermutsjes, of de vijf Zuid-Bevelandse vrouwen in de kerk, de poppen precies realistisch genoeg in die elegante Zeeuwse dracht. Een vrouw achteraan kijkt of ze doof is.
Boven ronkt de nieuwe attractie van het museum, het HollandRama, in zijn koperen cocon. Het is een mirakel van techniek en sensatie, bedacht om een bezoek aan het museum ook bij regen de moeite waard te maken (en daarom is er nu een gedeelteijke winteropenstelling). Nee, het valt niet mee om een museum te zijn in de moderne tijd. Maar hier op de kostuumafdeling, hier valt iets te beleven dat hoop geeft voor de beschaving. Zo simpel en pretentieloos, zo ingenieus en verhelderend: gewoon luisteren naar een vrouw die haar muts op zet, een van het laatste handjevol vrouwen in klederdracht. Hoe je je hand kon warmen onder de doek van je moeder, in de tijd toen de vrouwen op Katwijk nog geen winterjas hadden. Levende geschiedenis op haar best.