Ileen
Montijn

 

De boerderij als stof voor dromen

Voordracht bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed in Amersfoort, 13/12/2013

225 Jaar geleden broeide in Parijs de revolutie die in heel Europa de oude orde overhoop zou gooien. Maar op de Utrechtse Heuvelrug was het stil. Daar wandelde een dromerige jonge vrouw over de hei. In het glooiende landschap, met blauwe heuvels in de verte, zag ze varens en eikenstruiken. Schaapskooien, bedekt met mos, getuigden van menselijke aanwezigheid, en hier en daar stond een enkel boerderijtje. Dat vond de jonge vrouw prachtig: zo’n nederig bouwseltje had in haar ogen ‘iets treffends, iets dat een schoon gebouwd lustslot dikwijls niet heeft.’ In een brief aan een vriendin beschreef zij zo’n ‘eenzame vrolijke boerenwoning: zij was eenvoudig net(jes) gebouwd, de vensters waren groen geverfd, een wijnstok bedekte de voormuur, het rieten dak was half bruin en half groen door het mos; drie bomen beschaduwden haar. De ligging was vrolijk; met één woord, deze woning had een bevalligheid die ik wel voelen, maar niet beschrijven kan…’
De schrijfster was Elisabeth Maria Post, en het citaat komt uit Het land – een roman in brieven zoals die toen in de mode waren. Dat ze wel kan voelen, maar niet kan uitleggen waarom dat boerderijtje zo mooi was, tekent de romantische geest die maakte dat stadsbewoners in die tijd ineens gingen dromen van zulke behuizingen. Aanvankelijk zagen ze ze vooral als decor, om even binnen te gluren bij de ongetwijfeld tevreden bewoners. Andere romantici gingen zelf boer en boerinnetje spelen, ter afwisseling van een stijf en formeel leven. Een poosje later wilden sommige stedelingen zelf echt in boerderijen gaan wonen, omdat ze de schoonheid daarvan hoger aansloegen dan ontwerpen door stadse architecten.
De liefde voor de boerderij is door en door romantisch. We zijn er allemaal door aangeraakt, nog steeds, en kunnen ons nog maar moeilijk voorstellen hoe in vroeger, pre-romantische tijden over het platteland en zijn bewoners werd gedacht. Toen was het platteland vooral gevaarlijk, en niemand benijdde de boer: zijn leven was zwaar en kort vergeleken met dat van burgers, althans welgestelden. Bovendien stond hij slecht aangeschreven: boeren waren primitief, soms vermakelijk, maar altijd onbetrouwbaar. Op schilderijen zag je ze in herbergscènes: niet als serieuze personen, niet aan het werk, maar drinkend of zingend, als acteurs in de klucht van hun eigen koddige bestaan. Hun huizen, afgebeeld in landschapsschilderijen, waren schots en scheve hutjes.
In de tijd van Elisabeth Post ontdekten mensen de charmes van het primitieve en ongepolijste. Ineens kregen ze genoeg van hun symmetrisch aangelegde tuinen met geschoren heggen, rechte perken en stijve vijvers. Met hulp van tuinarchitecten en ongelooflijk veel mankracht werden parken en tuinen omgetoverd in quasi-natuurlijke landschappen met slingerende paadjes. In de parken lieten landgoedeigenaren schilderachtige bruggetjes bouwen, geheimzinnige grotten, en ook sierboerderijtjes, puur voor het oog. Het kwam zelfs voor dat pachtboeren door hun landheer verplicht werden om in zulke sierboerderijen te gaan wonen, als full-time figuranten, met de kasteelbewoners als toeschouwers. De Engelse grootgrondbezitter Samuel Ongley, in Bedfordshire, ging nog verder: hij verplichtte zijn pachters zelfs om gekleed te gaan in rode capes en hoge hoeden, passend bij het rode schilderwerk en de grappige dakkapellen van hun huisjes.
In het koninklijke park van Versailles, bij het Petit Trianon, liet koningin Marie-Antoinette (die in 1793 zou worden onthoofd) een *hameau* bouwen, een gehucht bestaande uit een tiental pittoreske boerenhuisjes in Normandische stijl. Zo nu en dan verkleedde zij zich met haar aristocratische gevolg als herderin of boerinnetje; dan schonk zij melk in porseleinen kopjes die waren gemodelleerd naar haar eigen borsten.
Kortom, ineens kreeg de mensheid – althans, een kleine, exclusieve groep – in de gaten dat boerderijtjes niet per se verachtelijk en armetierig waren zoals ze altijd hadden gedacht. Ze hadden iets dat ze zelf misten, zij, die paleizen bewoonden, romans lazen, en zich kleedden naar de laatste mode. Boerderijen waren oorspronkelijk en ongekunsteld. De bewoners leefden er met de seizoenen, in een onveranderlijk ritme, ze maakten alles zelf, waren met weinig tevreden (althans, dat dachten deze aristocraten) – en juist dat inspireerde tot dromen. Waar was al die stadse luxe eigenlijk voor nodig? Was het niet de wijsheid zelf, die zo nederig woonde te midden van de ongerepte natuur? Zo wilden zij ook zijn, zulke huisjes wilden ze zelf ook!
Dat was de uitvinding van de authenticiteit. Eigenlijk was dat een tragisch moment in de cultuurgeschiedenis, want authenticiteit is een droombeeld, een zeepbel. Als je het aanraakt, is het weg. Als je het wilt navolgen, krijg je iets anders, dat misschien heel aardig is – maar niet authentiek.
*
De kwestie van authenticiteit speelt een rol op heel veel terreinen; de geschiedenis van kunst en architectuur is er vol van. Wat de zaken zo compliceert is, dat er een morele kant aan zit, of lijkt te zitten: authentiek is echt, dus goed; niet-authentiek is vals, dus fout. Iemand kan een prachtig schilderij maken, maar als hij er een valse naam onder zet, Van Gogh bijvoorbeeld, dan is dat schilderij fout en vals, zelfs al zou het beter zijn dan alles wat de ware Van Gogh ooit heeft geschilderd.
Wij hebben het hier vanmiddag over boerderijen – en die zijn, zoals ik al even heb beschreven, de afgelopen eeuwen gewaardeerd, juist om hun authenticiteit. Boerderijen werden gezien als oorspronkelijk, als echt, en zaten dus in een heel andere categorie dan andere gebouwen. Geen wonder dat architecten vanouds gemengde gevoelens over boerderijen hebben, want zij komen er niet aan te pas – en dat feit wordt ook nog beschouwd als iets heel moois.
*
(Even tussen haakjes: er zijn óók altijd architecten geweest – en dat waren juist de dromers onder hen – die doordachten over authenticiteit, en het feit dat hun beroep eigenlijk overbodig is. Zoals bekend hebben de meeste mensen altijd in huizen gewoond waar geen architect aan te pas was gekomen; voor een aanzienlijk deel van de wereldbevolking geldt dat nog steeds. Deze dromers onder de architecten raken raakten dus ten prooi aan gemengde gevoelens, tot zelfhaat toe. Deze romantische gekweldheid konden ze niet voor zich houden, een ander beroep kiezen zat er ook niet in – en sommigen zijn er zelfs beroemd mee geworden.
Vooral in de twintigste eeuw. Toen werd het onder architecten mode, te verklaren dat men een afkeer had van architectuur. De Weense modernist Adolf Loos is een voorbeeld. Hij schreef al in 1909 hoe je in Gods vrije natuur kunt zien dat de boeren altijd instinctief goed bouwen, net als hun voorvaderen, omdat zij *Ausgeglichenheit* hebben: harmonie, evenwicht. Dit in tegenstelling tot de architect die een villa bouwt, die altijd een wanklank zal zijn. Een ander voorbeeld is Aldo van Eyck. Hij werd in 1959 in een klap beroemd dankzij een poëtisch betoog in het architectentijdschrift *Forum* met de teneur dat architecten en stedebouwers te rade moesten gaan bij inheemse volken, Pueblo-indianen of Noord-Afrikaanse Berbers, om het menselijke bouwen te leren. In 1964 werd de architect Bernard Rudofsky in vakkringen bekend met het boek Architecture without architects. Hij sprak van anarchistische architectuur, of architectuur zonder stamboom. En in onze eigen tijd heeft de gevierde Rem Koolhaas veel aan de weg getimmerd met zijn fascinatie voor de chaotische megastad Lagos (Nigeria); hij beweert dat daar voor architecten en stedebouwers veel uit te leren is, al heeft hij nooit laten zien wat dat dan zou zijn. Ik denk dat ook dit beter te voelen is, dan te formuleren.
*
Terug naar de boerderij. In het algemeen zijn architecten pragmatisch, en de meesten hebben voor boerderijen nooit iets anders aan de dag gelegd dan onverschilligheid, of zelfs minachting. Dat laatste gold ongetwijfeld niet voor de architect Gunnar Daan, die in 1972 voor eigen gebruik de monumentale boerderij Donia State in Oosternijkerk restaureerde en verbouwde. Maar toen hem in de jaren negentig werd gevraagd naar het gebrek aan belangstelling van zijn vakgenoten voor boerderijen had hij daar wel een verklaring voor: architectuur, zei hij, is nu eenmaal een ‘stedelijke activiteit’. Bovendien hielp de architectenopleiding niet mee. In de jaren zeventig had je wat Daan noemde de ‘Weebere jaren’ – Carel Weeber was hoogleraar aan de facul­teit Bouwkunde van de TU Delft. Architectuurgeschiedenis werd in die tijd uit het onderwijsprogramma geschrapt. Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen was belangstelling en respect voor de bestaande omgeving onnodig. Fuck de context, zou Koolhaas dat formuleren. Architecten hadden niets meer met het verleden, en zeker niet met boerderijen.
Dat is lang zo gebleven. Twaalf jaar geleden sprak ik de architect Tjeerd Dijkstra, oud-rijksbouwmeester, die ik opzocht in de fraaie Noord-Hollandse stolpboerderij die hij zelf in de jaren zestig grotendeels had afgebroken en herbouwd. Ik vroeg hem hoe het mogelijk was dat in de jaren zestig en zeventig, toen duizenden stedelingen de charmes van oude boerderijen gingen zien, en die aanpasten aan hun eigen wensen, over al die boerderijverbouwingen praktisch geen woord stond in het gezaghebbende Bouwkundig Weekblad? Ach, antwoordde Dijkstra: die verbouwde boerderijen verhouden zich tot de serieuze architectuur zoals fast food tot de echte kookkunst. Het is gewoon niet zo relevant.
Maar de tijden veranderen, en opvattingen ook – ik denk dat Dijkstra, initiatiefnemer voor de Stolpenprijs 2013, nu een ander antwoord zou geven. Toch was het niet zo vreemd dat deze architect in 2001 het verbouwen van boerderijen beschouwde als een liefhebberij van wat romantische stedelingen – waar hij toevallig zelf bij hoorde – zonder relevantie voor de chique hoofdstroom, de haute cuisine van de architectuurgeschiedenis. Dat boerderijen altijd buitenbeentjes zijn geweest in de architectuurgeschiedenis is ontegenzeggelijk waar. Dat maakte, en maakt, ze juist zo aantrekkelijk.
*
In de loop van de negentiende eeuw drong het droombeeld van de boerderij door in de woonhuisarchitectuur in West-Europa – maar grappig genoeg waren buitenlandse boerderijen daarbij de inspratiebron. Meestal waren het geen grote architecten, vaak zelfs helemaal geen architecten maar aannemers, die ervoor zorgden dat de chaletstijl opgang maakte in nieuwe villawijken, ook in Nederland. Chalets zijn, zoals u weet, Zwitserse boerenhuizen. Dank zij het groeiende toerisme werden ze door de rest van de wereld ontdekt. Nu wilden mensen hun villa’s in Arnhem, Den Haag en Haarlem iets van die authentieke Zwitserse sfeer meegeven. Het werd één explosie van decoratief houtwerk, uitgezaagde spijlen en versierde kapspanten.
Iets later, tegen het eind van de eeuw, raakten Engelse cottages in de mode, althans dat wat in de Engelse landhuisbouw de cottage-stijl werd genoemd. Cottages waren asymmetrische huizen met leien daken en vakwerk muren. Ik kwam in een roman van Jacob van Lennep, Klaasje Zevenster uit 1866, al twee dames tegen die in een lieve cottage woonden.
Het duurde een hele tijd voordat het tot de mensen doordrong dat als het over boerderijen ging, er toch eigenlijk maar één ding authentiek kon zijn in dit land, namelijk Nederlandse boerderijen. Massa’s Zwitserse chalets en Engelse cottages waren al gebouwd, voordat iemand op het idee kwam om eens op het platteland van Gelderland of Noord-Holland te gaan rondkijken. Zelfs die neiging, om het in het inheemse te zoeken, was eigenlijk afgekeken van buitenlandse, met name Engelse architecten. Niet alleen smaak, maar ook een zeker standsbesef speelde daarbij mee. Men wilde zich onderscheiden van de nieuwe rijken, die opzichtige villa’s op het platteland lieten bouwen. Het hele woord villa raakte in die tijd besmet.
Eenvoud was het nieuwe devies. Zeker in kringen van de culturele elite. Zo bouwde Berlage in 1893 een huis in Bussum voor de dichter Herman Gorter, dat (althans in toenmalige ogen) boerderij-achtig aandeed. Het was zo klein dat de dichter en zijn vrouw er zelfs geen inwonende dienstbode op na konden houden. In diezelfde omgeving had je Walden, een initiatief van de schrijver, psychiater en wereldverbeteraar Frederik van Eeden. Die stichtte omstreeks 1900 een landbouwkolonie waarvan de deelnemers in zogenaamde hutten moesten gaan wonen, kleine huisjes naar het model van Gooise daglonerswoninkjes. Daar leefden ze dicht bij de natuur, en konden ze dromen van wereldvrede terwijl ze groente verbouwden en hun eigen brood probeerden te bakken. Walden was en is veel bespot vanwege de onwaarschijnlijke combinatie van de keurige komaf van de deelnemers, en het primitieve bestaan dat zij wilden leiden. Het ging in 1907 jammerlijk ten onder.
De eerste architect die echt naar bestaande, oude boerderijen keek, was Herman van der Kloot Meijburg. In 1908 verscheen zijn boek Onze oude boerenhuizen, met tachtig tekeningen die hij zelf had gemaakt van schilderachtige boerderijen. (In die tijd leerden architecten nog tekenen.) Op zijn motorfiets had Meijburg het land doorkruist en foto’s en schetsen gemaakt. Zijn boek was baanbrekend en had in vakkringen veel succes. Nu brak een tijd aan waarin authentieke Nederlandse boerderijen als voorbeeld gingen dienen voor huizen op het platteland, althans in villawijken en aan stadsranden. In Baarn, Bloemendaal en Bussum, overal verrezen huizen met rieten kappen, soms zelfs met vreemde bobbels en hoekjes; ze waren van baksteen, hadden kleine ramen, en namen als Thea’s hoeve, of Sonnevanck.
Wouter Hamdorff is een van de architecten die veel succes hadden met zulke huizen. En het grootste compliment dat de bouwers en de liefhebbers elkaar konden maken was, dat het huis zich zo bescheiden voegde in zijn omgeving. Net als een boerderij.
Het fascinerende aan de opvattingen van Herman van der Kloot Meijburg is dat hij – net als Berlage bijvoorbeeld – een principiële modernist was. Steeds opnieuw heeft hij er op gehamerd dat de boerderij zo functioneel was, en daarom zo prijzenswaardig. De ligging, de indeling van het huis, dat alles was door de boer of de timmerman helemaal argeloos gekozen, zonder enige gedachte aan mooimakerij, meende hij. Het is duidelijk dat hij dus geweldige oogkleppen op moest hebben als hij door Nederland crosste op zoek naar landelijk schoon, want de boerderijenbouw in zijn tijd was lang niet overal meer zo verstild en bescheiden. De welvaart was gegroeid, zelfs op het platteland, en boeren konden zich veroorloven om hun huizen te verfraaien: ze wilden niets liever. Ze sloopten ze en zetten mooie nieuwe neer, bouwden moderne schuren of brachten versieringen aan, engelenramen bijvoorbeeld. In de graangebieden in het noorden van Groningen waren rijke boeren die kasten van huizen lieten neerzetten in deftige stadse vormen, met pilasters en stucwerk, waarmee ze konden tonen dat ze niet zomaar uit de klei waren getrokken, maar welvarende, respectabele heren waren. Mooimakerij, weeldevertoon, jawel, graag zelfs.
Dat alles was helemaal verkeerd in de ogen van liefhebbers als Van der Kloot Meijburg. Zijn jongere collega Jan Jans, een leerling van Berlage en gespecialiseerd in de landelijke bouwkunst van Twente, was het roerend met hem eens. ‘Elke boer die zijn huis verbouwt, bederft het,’ verklaarde die ronduit. En wat hij bedoelde was: dan is het niet meer authentiek.
De nieuwere landelijke bouwkunst zoals die echt was, paste niet in het wereldbeeld van deze boerderijenliefhebbers; in Van der Kloot Meijburgs boek komt die dan ook niet voor. Deze mannen beschouwden boeren als nobele wilden. De boerentimmerlieden van weleer, zo schreef Jans, waren nog ‘onbedorven natuurkinderen’ geweest, ‘met dat oerinstinct voor vorm, rhytme en kleur, waardoor ook nu nog primitief levende volkeren zich onderscheiden.’ Maar helaas, onder invloed van de stadse beschaving ontstond de zucht om de boerenwoning opvallend te maken. De misleide boeren zwichtten voor krullen en snorrepijperijen, zoals wilde volken werden aangetrokken door zakspiegeltjes en blinkende knopen. En Meijburg verzuchtte: zo leidt welvaart tot wansmaak…
Het is nogal wat, om zulke dingen over je medemensen te zeggen. Er gaapte een kloof tussen de plattelandsbevolking zelf en de schrijvende, filosoferende stadsbewoners – een kloof van welvaarts- en standsverschil die maakte dat ze elkaar als totaal verschillende wezens zagen. De romantische droom van authenticiteit had – en heeft – een scherp randje want de argeloze eenvoud die geromantiseerd werd, was in werkelijkheid een gevolg van armoede.
*
Dat stadsbewoners uit de betere kringen zelf in boerderijen zouden gaan wonen, lag toen bepaald nog niet voor de hand. Pas later werd het ‘verbouwde boerderijtje’ een door veel mensen gekoesterde droom – ik ben er zelf een ‘slachtoffer’ van, want in het roerige jaar 1968 kochten mijn ouders er ook een, in Eefde, terwijl ze toch alles behalve hippies waren. Tegenwoordig wordt gesproken van ‘herbestemming’ en is het een geaccepteerd verschijnsel, sterker nog, het wordt aangemoedigd door de overheid die het vroeger met lede ogen aanzag.
Wanneer is dat eigenlijk begonnen, dat mensen uit de stad, kunstenaars, hoogopgeleiden, besloten om in boerderijen te gaan wonen?
Nederland heeft wat dat betreft niet voorop gelopen. In Zweden hadden ze Carl Larssen, een kunstenaar die in 1888 een oud boerenhuis kocht voor zichzelf en zijn gezin. Elf jaar later publiceerde hij er een geïllustreerd boek over, *Ett Hem* in het Zweeds. De Duitse vertaling, waardoor het in heel Europa bekend werd, heette *Das Haus in der Sonne*. Larssen was een knappe tekenaar, wiens werk aan dat van Cornelis Jetses doet denken, van Ot en Sien, maar dan vitaler en verrassender. Zijn tekeningen gaven een idyllisch beeld van het onschuldige, vrolijke leven van de familie Larsson op het Zweedse platteland; in artistieke kringen werden ze een sensatie. Het huis, met de handgeweven boerenkleden, de vuurrood geschilderde houten stoelen, de groene lambriseringen en de lage plafonds, werd het beroemdste, artistiekste woonhuis van Europa.
Ook in Engeland werd in die tijd niet alleen van boerderijtjes gedroomd, maar kwam het wel eens voor dat die door stadsbewoners werden betrokken. In 1895 stond in het kunstzinnige tijdschrift *The Studio* hoe dat in zijn werk kon gaan. Een authentieke cottage werd geducht verbouwd, lees: uitgebreid – want ja, het moderne comfort stelde zo zijn eisen en vier slaapkamers had men toch wel nodig: twee voor het gezin, een voor een weekendgast en een voor een dienstbode. Maar dan had men ook een charming little country residence.
Het oudste Nederlandse voorbeeld dat ik vond is uit 1907. Toen beschreef de tuinenspecialiste Anna Bienfait in het weekblad *Buiten*, Nederlands eerste glossy tijdschrift, hoe zij een huisje op het platteland had gekocht. Het was een boerenhuisje met een deel, een bleekveld en een kersenboom. De nieuwe eigenaren lieten er grote ramen in maken, zodat de zon naar binnen zou kijken. Er werden kamertjes doorgebroken en de deel werd veranderd in een slaapruimte. Voor de ramen kwamen groene luiken, en aan de binnenkant frisse wit-katoenen gordijntjes. Zo werd de kleine woning een droomhuisje voor de zomer, omgeven door een bloementuin (die er eerst niet was) en met uitzicht op het wuivende graan.
Het is grappig om deze eerste beschrijving van een herbestemming te lezen, en te zien hoe de schrijfster al een beetje worstelt met de authenticiteit. Ze zegt half excuserend dat het huisje niet was gebouwd in de goede, ‘eenvoudige boerentijd’ – er zaten al fabrieksramen in, en veel lelijke details die moesten worden weggewerkt. Een beetje schuldig voelde ze zich bij het veranderen van het bleekveld in een bloementuin, dat was misschien heiligschennis (ze was ten slotte tuinenspecialiste en had dus al ideeën over het erf). Maar ja, de grote kersenboom was blijven staan, en je wilde van het kleine plekje om je heen toch iets maken dat van jezelf was.
In mijn boek *Naar buiten, landelijk wonen in de 19de en 20ste eeuw* staan nog een paar voorbeelden van vroege boerderij­verbouwingen, alias herbestemmingen, meestal zeer ingrijpend. Zo bijvoorbeeld de verbouwing in 1910 van een eeuwenoud boerenhuis met fraai uitzicht op de Snijdersberg in Geulle (Zuid- Limburg) door de architect J.M. van der Meij, pionier van de Amsterdamse School, bekend door het Scheepvaarthuis. De boerderij kreeg bij de verbouwing een ongewoon groot raam op het noordoosten – herinnerend aan het halraam van het Engelse landhuis – en een diep omlaaggetrokken rieten kap. De schuur werd een hoge ‘schuurkamer’ met in een hoek een bedstee. Het varkenskot in de andere hoek werd een slaapkamertje. Er kwam een decoratieve tuinmuur, en boven de voordeur plaatste Van der Meij een glas-in-loodraampje met een afbeelding van de boerse godin bij uitstek: Demeter. Boerderij of niet, het huis wordt door Van der Meijs biograaf Paul Smeets ‘het eerste huis van de Amsterdamse School’ genoemd.
*
In de twintigste eeuw, en vooral na de tweede Wereldoorlog, raakte Nederland in de greep van het modernisme. Dromen was tijdverspilling, en het platteland moest met zijn tijd meegaan. U kent de geschiedenis van de schaalvergroting in de landbouw, u weet dat vele duizenden boeren zijn geëmigreerd, hun boerderijen verwaarloosd en meestal gesloopt. Bijna niemand bouwde nog, zoals in het interbellum, schilderachtige landhuizen met rieten daken en kleine ramen, geïnspireerd op het romantische beeld van de boerderij. En voorzover het wel gebeurde, werden ze doodgezwegen in de vakpers en genegeerd door de rest van de wereld.
In de jaren zestig gingen steeds meer mensen opnieuw de charmes van het landleven zien. Dit was een welvaartsverschijnsel, maar het was ook een reactie op de zakelijkheid van de wederopbouwperiode. De prille hippiebeweging was uitgesproken antistedelijk – flower power was het devies. Opnieuw ontstond een trek naar buiten. Leegstaande boerderijen werden de grondstof voor de dromen van een nieuwe generatie. Soms werden er complete landhuizen van gemaakt, maar vaak ook werden zij gewaardeerd om hun eigen, bescheiden lieflijkheid.
Bij het bewoonbaar maken kwam heel wat kijken, en dat werd beschreven in een nieuw soort tijdschriften: woonbladen zoals *Ideaal Wonen* en *Eigen Huis & Interieur*. Die waren er voordien niet geweest; want jarenlang was wonen geen leuk onderwerp, maar meer iets dat moest. Nu kon je in zulke bladen lezen over de pioniers die, vaak met hun eigen handen (het doe-het-zelven was ook net uitgevonden) een boerderij aanpakten. Er waren trouwens heel wat bekende Nederlanders bij: de actrice Josine van Dalsum, de schilder Corstiaan de Vries, en de VVD-coryfee als Cornelis (zeg maar Kees) Berkhouwer van Ik drink melk – en vele anderen.
De artikelen beschreven een vast repertoire aan ervaringen, vernieuwingen en ideeën. Bijna altijd was het huis in verwaarloosde staat aangetroffen (‘het water droop langs de muren’) en – zeg maar rustig – uitgewoond door een groot gezin, veel groter dan het gezin dat er na de verbouwing in trok. Vaste prik waren de open keuken en de open haard, de zichtbare balken en de binnenmuren die eruit moesten omdat de oude kamertjes ‘hokkerig’ waren. Centrale verwarming was onmisbaar, de voormalige deel of schuur bood zich aan als een ideale, grote woonruimte. Met schrootjes, geblokte gordijnen, een gezellige eetbar en een zitkuil werd de droom bewoonbaar gemaakt.
Omstreeks 1990 gebeurde er iets heel interessants. Toen bedacht iemand: zo’n boerderijtje is wel leuk, maar wat een rompslomp. Het moet maar net op de goede plek staan, je moet het verbouwen, je zit met vervuiling en oude troep er omheen… waarom bouwen we geen nieuwe oude boerderijtjes, precies op de goede plaats en voorzien van alle moderne gemakken? Zo ontstonden de eerste vakantieparken vol romantische boerderijtjes, netjes in het gelid. De woonboerderij kwam op, en Wim T. Schippers bedacht het woord boerderette. De echte oude boerderijen die nog over waren, kregen er in hun strijd om te overleven duizenden concurrenten bij.
Maar wat is eigenlijk een echte boerderij? Het vraagstuk van de authenticiteit is door de nieuwste ontwikkelingen hopeloos ingewikkeld geworden. Neem alleen al die recreatieboerderijtjes: die doen natuurlijk helemaal niet alsof ze werkende boerderijen zijn, ze doen alsof ze verbouwde boerderijen zijn. Net zoals je in Engeland een tijdlang barn conversions had, als woonhuis verbouwde schuren op het platteland – en daarna woonhuizen die er uit zagen alsóf het verbouwde schuren waren.
En het wordt nóg ingewikkelder, want de laatste jaren hebben boeren zelf, als ze het geld hadden of bijvoorbeeld het bedrijf overdeden aan een erfgenaam, niet zelden gekozen voor een woonboerderij uit de catalogus van een projectontwikkelaar, die zoiets in twee weken op iedere gewenste plek kan bouwen. Een boerderette voor de boer: daarmee is een cirkel gesloten, al kan ik beter voelen dan beschrijven wat voor cirkel precies… het heeft in elk geval met authenticiteit te maken.
Authenticiteit, ik zei het daarnet al, is een zeepbel. In onze tijd is het taboe op namaak verdwenen, en zelfs gemeentebesturen, ja, welstandscommissies geven steeds vaker de voorkeur aan nieuwbouw in traditionele vormen – of iets dat daar in de verte op lijkt. Nieuwe stolpen in Noord-Holland. Authenticiteit is een liefhebberij voor een kleine elite geworden. Weet iemand nog wat het eigenlijk is? Wat is bijvoorbeeld een ‘echtere’ boerderij: een die nog het aanzien heeft van honderd jaar geleden, compleet met de grupstal en het varkenskot, maar die zijn functie is verloren, of een die werkt, en dus aangepast aan de eisen van de moderne tijd, met grote schuren en silo’s? En nog iets: als een boerderij waar niet meer geboerd wordt, nog wel zo mag heten, waarom dan niet ook een nieuw huis dat lijkt op een boerderij?
Toch zou het niet goed zijn om het begrip authenticiteit maar overboord te gooien. Alles is altijd weer te relativeren, maar zeker is: oud of jong, iets kan maar één keer worden weggegooid. Boerderijen zijn altijd stof voor dromen geweest, en het het zou doodzonde zijn om nog meer van die stof kwijt te raken onder het motto ‘authenticiteit bestaat toch niet’. Er moet ten slotte iets te dromen overblijven.
#
(Voordracht Dag van de Boerderij-informatie, 13 december 2013, RCE, Amersfoort)