Ileen
Montijn

 

Durf moderne kunst te beoordelen

De Volkskrant 2 juni 2009, pagina Forum

Maarten Doorman maakt bezwaar tegen wat Gerrit Komrij en Max Pam schrijven over hedendaagse kunst (‘Gefoeter op moderne kunst is laf’, de Volkskrant 23/5/2009). Zijn afkeer is terecht; vooral die van Komrijs stelselmatige gemopper in NRC Handelsblad, ‘Kunstwonderen’. Maar helaas, Doorman hanteert vreemde, weinig overtuigende argumenten.

Zoals: de hedendaagse kunst heeft het moeilijk. Haar te honen terwijl zij toch al ‘op de grond in een hoek ligt’ is conformistisch en weinig moedig. Dat is meer een moreel dan een inhoudelijk bezwaar, maar daar komt bij dat de premisse toch echt overdreven is. Moderne kunst is overal, haar status geheel buiten kijf. Is er soms moed nodig om haar te verdedigen?

Doormans voornaamste tegenwerping is, dat de kunst autonomie nodig heeft. Die eis acht hij voor onze tijd hoogst belangrijk, belangrijker nog dan andere zaken die sinds de romantiek gelden als steunpilaren van de kunst, zoals de genialiteit van de kunstenaar, zijn verbeeldingskracht en zijn vermogen om gevoelens uit te drukken. Nee, speelruimte, nutteloosheid, onbegrijpelijkheid, inzicht, ambivalentie, plezier en onbehagen, daar gaat het om.

Daarna zegt hij ineens iets heel raars. Namelijk: sceptici hebben vrijwel altijd het gelijk aan hun zijde. Een ‘onvruchtbaar en vreugdeloos gelijk’, dat wel, en het legt het op de duur af tegen de praktijk. Maar toch lijkt het erop dat hij het dus ergens wel eens is met Komrij en Pam – alleen vindt hij dat ze hun mond moeten houden, omdat zij (en hijzelf?) later ongelijk zullen krijgen. Hij verdedigt de hele hedendaagse kunst tegen het verwijt dat zij, als geheel, waardeloos zou zijn, met het schimmige argument dat op de duur haar waarde toch zal blijken.

Daarmee verlaagt hij zich, bij alle erudiete omhaal in zijn betoog, tot het armoedigste niveau waarop je kunt spreken. En één essentieel punt miskent hij: dat van de kwaliteit.
Het vervelende van Komrijs ‘Kunstwonderen’ is dat hij uitsluitend moppert. Hij vergelijkt of analyseert nooit, argumenteert niet; zo wordt ook de scherpste kritiek bot en saai. Wie daar iets tegenover wil stellen, moet zijn onderwerp serieus nemen. En elke serieuze aandacht voor een kunstwerk moet uiteindelijk ook gaan over de vraag: is het goed? Interessant? Mooi? Is de wereld er, kortom, rijker door geworden?

Spreken over kunst is pas zinvol wanneer je verschil kunt maken tussen de kwaliteit van het ene, en het andere werk. Alle kunst die een knip voor haar neus waard is, moet kunnen worden beoordeeld. Wie de hedendaagse kunst als geheel prijst, is net zo onnozel als wie haar als geheel verwerpt. Hij is als de kleuterjuf die ongezien elke tekening bejubelt (en die daarmee haar kans verspeelt om de kinderen iets te leren).

Een moeilijkheid is, dat de kwaliteit van conceptuele kunst nauwelijks te beoordelen is. Althans, zo lijkt het. Is het daarom zo’n enorme stroming geworden? Een conceptueel kunstwerk is de uitwerking van een idee. Of een ideetje. Zoals Diederik Kraaijpoel, door Doorman weggezet als een reactionair, zei: vanaf die eerste pisbak, die Marcel Duchamp in 1917 in een museumzaal zette, is de conceptuele kunst eigenlijk al ‘op’.

 Of niet? Kunnen we daarover misschien nog even praten? Vindt Doorman Kabouter Buttplug van Paul McCarthy, waar Max Pam mee spotte, zelf wèl interessant of goed, en zo ja, waarom? Of is hij het met Pam eens, maar verzwijgt hij dat om tactische redenen? Waarom legt hij zelfs niet uit wat hij goed vindt aan die gevlochten stoel van Wanders? Geeft hij de kunstenaar gelijk, die zegt dat het uiteindelijk allemaal een kwestie van geloof is?

Wat de conceptuele kunst betreft: het is nogal wat, om een stroming die al bijna een eeuw oud is, als geheel af te wijzen. Maar je hebt er niks aan om zo’n oordeel te verbieden. Dat is pas laf. Zelf geloof ik, met gepaste halfhartigheid, dat er ook in de conceptuele sector, hier of daar, misschien toch interessante werken worden gemaakt. Voor andere stromingen geldt dat zonder enige twijfel. Maar – zo wil de wereld weten – waar, en welke, en wat is het verschil?

Spreken over kwaliteit is in de kunstwereld een beetje taboe. Het is ook eng. Maar wat zou het debat er veel bij winnen als het gebeurde! Voor de kunst lijkt me dat een stuk belangrijker dan de ‘autonomie’ waarop Doorman zo hamert.

Ook voor het publiek is het van het grootste belang dat wie met verstand over kunst wil schrijven, niet alleen uitlegt, maar ook onderscheid maakt: dit is goed, dit minder, en dat niks. En wel hierom. En daarom. Elk naar zijn eigen ideeën natuurlijk, zodat hopelijk discussie ontstaat; niet in het vage over ‘de kunst’, maar over werk A, werk B, of het oeuvre van kunstenaar C. Alleen zo kan de glazige blik van de gemiddelde museumbezoeker worden gescherpt (en zijn genoegen vergroot).

De ‘romantische mythe van de kunst’ die Doorman zo na aan het hart ligt, bestaat niet dank zij haar autonomie, maar dank zij het feit dat héél soms iemand iets héél bijzonders maakt. Iets geniaals. Sporen, vlagen, momenten van diezelfde kwaliteit – die volgens mij niet zonder groot vakmanschap kan ontstaan – zijn minder zeldzaam. Daarover iets te zeggen is het moeilijkste wat er is. Daarom is het ook zo leuk. Bovendien is het belangrijk; wie over kunst schrijft en dat nalaat, verzaakt zijn plicht.