Ileen
Montijn

 

Een primitieve neiging

Moderne design-sieraden zijn geen haartje beter dan oude 'kitsch'-juwelen

Wie nog aanwijzingen zoekt dat mensen geen centje redelijker zijn geworden in de loop der eeuwen, maar hun zotheid hooguit wat beter beredeneren, moet eens kijken naar een vrouw met zo’n modern sieraad. Een gebogen, roestvrijstalen stang om haar hals bijvoorbeeld, alsof zij zich heeft ontfermd over de failliete boedel van een fabriekje in buisframe-meubels. Of een hoekige kraag van geplisseerd strokarton. Of een ‘object’ dat ring en armband tegelijk wil zijn – en helaas aan alles blijft haken. Design mevrouw, is het niet? De geldingsdrang van de ontwerper wordt nog overtroffen door de dapperheid van de draagster, die voor gek loopt omdat zij heilig gelooft dat dit peperdure hinderding het Goede vertegenwoordigt, omdat het Artistiek Verantwoord is, Hedendaags ook – alles wat mensen nu eenmaal geloven over moderne design.

Het is een bizarre draai aan een neiging die toch al zo primitief is, zelfs al zijn de gebruikte spullen wél mooi: het opsieren van het lijf met glimmende steentjes en metalen. Opscheppen en aanlokken, daar is het voor, hoezeer de vrouwen er ook van zouden schrikken als we het hardop zeiden. En de mannen erbij natuurlijk, de types met zware gouden kettingen en de heren met antieke zegelringen. Allemaal status en seks, in wisselende proporties aaneengesmeed onder de lamp van de juwelier.

En toch: hoe kun je beter je vreugde aan een mooi voorwerp beleven dan door het te dragen? Mag dat soms niet? Natuurlijk mag het. Glanzende bellen in je gepiercde oren steken, vrolijk rinkelende armbanden omdoen. Of eventueel één enkel goed stuk, zoals dat heette in de tijd toen nog belang werd gehecht aan het verschil tussen dames en sloeries. Sloeries, u herinnert het zich, hielden van véél, van klatergoud. Dames kozen met beleid dat ene, simpele parelcollier waaraan alleen ingewijden zagen dat het een fortuin had gekost. Maar waar zit eigenlijk het verschil?

Misschien zit het hem in het vakmanschap, de ‘kwaliteit’ zoals  moderne mensen liever zeggen? Iets dat goed is gemaakt, zij het een ring of een ketting, een auto of een ameublement, is op zichzelf waardevol. Gelukkig wie het kan kopen, gêne is misplaatst.

Maar ja, gêne onderdruk je niet zomaar, en erger nog, kwaliteit vormt geen enkele garantie tegen – laten we het voorzichtig uitdrukken – gemengde gevoelens. Dat blijkt op een leuke tentoonstelling in het Museum Willet-Holthuijsen in Amsterdam. Voor het eerst heeft men het gewaagd om de juwelencollectie van de weduwe Lopez Suasso ten toon te stellen. Zij was een eenvoudig meisje dat in 1860 trouwde met de deftige joodse zakenman A.P. Lopez Suasso. Mevrouw had een verbluffende verzamelwoede, en haar naam is vereeuwigd doordat zij alles heeft nagelaten aan de Gemeente Amsterdam, die er onder meer het Stedelijk Museum aan overhield.

Neem een vergrootglas mee als u gaat kijken. De vreugde aan het juweliersvak is hier uitgeleefd op een ongelooflijke schaal. Colliers, doosjes, flaconnetjes, hangers, maar vooral horloges liggen in de vitrines vooral één ding uit te stralen: mooi gemaakt hè?

Goud, vakmanschap noch edelstenen zijn gespaard voor horloges in de vorm van kastanjes of scarabeeën, cameeën van lavasteen, een toneelkijker met speelmechaniek en uurwerk. De trots van een vrouw die heus geen sloerie was, maar in de ogen van de grachtengordel misschien toch ook niet helemáál een dame. Onweerstaanbaar vond ik zelf een gouden broche in de vorm van een anjer, met diamantjes bezet, en in zijn hart een horloge, zo groot als een erwt. Een flonkerend wondertje.

Mooi? Ach… maar wie zijn neus ophaalt, zoals generaties dames en heren voor deze spullen hebben gedaan, miskent het feit dat tussen Artistiek Verantwoord en Ronduit Kitsch geen afgrond ligt, maar een slecht gemarkeerde grensstrook. Dezelfde primitieve neigingen liggen ten grondslag aan alle juwelen, aan het roestvrijstalen halssieraad, het sobere collier en het als anjer vermomde horloge. Pas als we het daarover eens zijn, mogen we over de verschillen gaan praten.

(Eerder verschenen NRC Handelsblad, 16/10/2000, onder de kop ‘Primitief’)