Ileen
Montijn

 

Gaat de elite ons redden?

Recensie, maart 2008

In 1986 verscheen het eigenzinnige boekje Het dialect van de adel, geschreven door Agnies Pauw van Wieldrecht, de laatste telg van een adellijke familie. Het ging over iets dat in Nederland bijna onbespreekbaar was geworden: standsverschil. Het boekje werd een soort geheime tip, en bleef dan ook jarenlang een bescheiden bestseller.

Achteraf lijkt het een voorbode van het einde van een uitzonderlijk tijdperk in de Nederlandse geschiedenis. Decennia lang was het land nadrukkelijk bezig geweest met moderniseren – nadrukkelijker, lijkt het, dan dat elders gebeurde. Landinrichting, bouwkunst en wooncultuur, maar ook de toon van de samenleving als geheel werd erdoor geraakt. In de sociale verhoudingen kreeg een rozig, democratisch zelfbeeld de overhand. ‘Elitair’ werd een scheldwoord: verschil maken tussen mensen was taboe. ‘Wij’ waren met ons allen een héél gewoon volkje, toch? Dat ging zo ver, dat (zoals later zou blijken) de speciale problemen rond speciale bevolkingsgroepen, vooral etnische minderheden, juist veel erger waren geworden doordat ze te lang onbesproken waren gebleven. Van de schrik daarvan is de publieke opinie duidelijk nog niet hersteld.

Nederland heeft tegenwoordig weer elites, zo verklaren de samenstellers van de bundel Gaat de elite ons redden? bij herhaling; maar eigenlijk zijn ze nooit weg geweest. Nee, wat veranderd is, is dat er weer gepraat en gedacht wordt over de leidende, welvarende, toonaangevende bovenlaag, haar samenstelling en functie, net als dat met de – voorheen onbespreekbare – onderlaag weer kan. Daartoe is deze bundel een poging.

Zoals dat gaat met bundels van verschillende auteurs is het een beetje een allegaartje geworden; naast verhelderende inzichten en interessante verhalen bevat het zwakke stukken, benevens opstellen die eigenlijk nergens op slaan, met hoeveel vuur ze ook worden gepresenteerd.

Merkwaardig is bijvoorbeeld de bijdrage van de politicoloog Paul Frissen, een ‘postmodern’ pleidooi voor het verschil. Frissen vindt het streven naar verheffing van het volk, en daarmee naar gelijkheid, niet meer van deze tijd, ja zelfs verwerpelijk. Nee, waar we naar toe moeten is volgens hem de cultivering van het onderscheid. Gelijkheid leidt tot middelmatigheid, verschil is rijkdom. ‘Elegantie en hoffelijkheid’ moeten weer kansen krijgen, meent de auteur – maar al met al is zijn betoog volstrekt theoretisch, en gespeend van ieder gevoel voor de maatschappelijke verhoudingen en (vooral) problemen.

Andere bijdragen zijn praktischer; zij gaan bijvoorbeeld over de vraag wie de huidige elite eigenlijk is, en wat er mogelijkerwijs veranderd is in haar samenstelling. Zo schetsen Meindert Fennema en Eelke Heemskerk de samenstelling van de top van de economische macht in Nederland vanaf de ‘200 van Mertens’ uit 1968. Het ‘old boys’ network’ van weleer, dat nog gebaseerd was op de normen van het ‘oude geld’, is volgens hen sterk aangetast – waarmee ook de sociale controle is weggevallen die een rem vormde op ‘exhibitionistische zelfverrijking’.

Over dat laatste thema schrijft financieel geograaf (!) Ewald Engelen. Moet er – zo vraagt hij – iets gedaan worden aan extreem hoge topinkomens, en zo ja, wat? Zijn antwoord is dat dat niet kan, en ook niet hoeft. We zijn namelijk tegenwoordig ‘allemaal liberalen’. Veelverdieners zouden wel goedgeefser moeten zijn, verklaart Engelen; maar dan zou het kleinzielige gezeur over extreem hoge beloningen ook eens moeten stoppen.

Een sterk contrast met dit soort neoliberale betoog vormt een bijdrage van Jelle van der Meer, ‘Wij zijn allen notabelen’ – tussen aanhalingstekens wel te verstaan. Het is een van de aardigste stukken in het boek. Het gaat over de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, het reëel bestaande, in 1784 opgerichte beschavingsoffensief, dat nog steeds blijkt te bestaan. Door gesprekken met bestuurders, een dokter, een notaris en de politicoloog Gabriël van den Brink wordt veel verduidelijkt over hoe voorzichtig de moderne ‘verheffer’ moet opereren.

Even concreet is Don Weeninks stuk over het gymnasium, vanouds broedplaats van de elite. Het gespecialiseerde (categorale) gymnasium in Nederland heeft het rampzalige onderwijsbeleid van jaren getrotseerd en bloeit als nooit tevoren. Verrassend genoeg blijkt uit onderzoek dat de herkomst van de leerlingen geheel vergelijkbaar is met die van peperdure, particuliere scholen in Engeland – minderheden en lage inkomensgroepen komen er vrijwel niet aan te pas. Daar staan wij met ons rozige zelfbeeld.

Ali de Regt schreef een bijdrage over het snel opkomende verschijnsel van de particuliere scholen in Nederland, toevlucht voor elitekinderen die niet ‘langs normale weg’ het gewenste einddiploma halen. Grappig is de eensgezindheid waarmee de betrokkenen de in Nederland onvermijdelijke reuk van poenigheid trachten te bagatelliseren.

Concreet is ook het interessante stuk van Heleen Terwijn over de ‘weekendschool’ in Amsterdam Zuidoost, waar kansarme jongeren hulp (en voorbeelden) krijgen van maatschappelijk geslaagde vrijwilligers; het is een variant op Amerikaanse projecten in deze richting, die echter niet klakkeloos kunnen worden nagevolgd.

De elite is een veelkoppig monster, zo concluderen Van Beek en Ham aan het einde van dit boek in een alinea, waarin ook nog een kameleon en een mistbank voorkomen. Bloemrijke taal die illustreert hoe moeilijk het is, iets algemeens te zeggen over de maatschapppelijke bovenlaag: moeilijker dan vroeger, zoveel wordt uit dit boek wel duidelijk. Vergelijking van de verschillende bijdragen leert echter ook dat het zeggen van iets algemeens vaak nogal zinloos is, vergeleken bij het aansnijden (en -pakken) van heel concrete onderwerpen en problemen.

Krijn van Beek en Marcel Ham (redactie): Gaat de elite ons redden? De nieuwe rol van de bovenlaag in onze samenleving. Uitg. Van Gennep, 286 blz.

Recensie gepubliceerd in Binnenlands Bestuur, maart 2008