Ileen
Montijn

 

Het historische museum, toen en nu

Over het anderhalve-eeuwfeest van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (eerder gepubliceerd in Kunstschrift 5, 2008, blz. 53-55)

De wegen van het cultureel bewustzijn zijn ondoorgrondelijk. Sinds een paar jaar is het idee van een Nationaal Historisch Museum hoogst actueel – net zoals het dat anderhalve eeuw geleden was, toen het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap werd opgericht met als oogmerk, zo’n museum tot stand te brengen. Het is een wonderlijke wederopleving van een idee, dat één generatie geleden zeker zou zijn afgedaan als hopeloos ouderwets, zo niet reactionair.
Zowel toen als nu waren de initiatiefnemers invloedrijke figuren die vonden dat er opgetreden moest worden tegen een misstand. Toen, in dezelfde periode waarin in Berlijn, Londen en elders musea voor oude kunst en kunstnijverheid werden gesticht, stelden dertien mannen uit diverse takken van kunst en wetenschap vast dat Nederlands erfgoed in gevaar was. Immers: er werden steeds meer monumentale gebouwen gesloopt, belangrijke antiquiteiten naar het buitenland verkocht, plafonds en schilderingen uit interieurs verwijderd. De classicus J.P. Six, de drukker A.J. Enschede, de schrijver J. van Lennep, de boekhandelaar F. Muller en nog negen geestverwanten kwamen op 8 juli 1858 bij elkaar om een ‘Oudheidkundig Genootschap’ te stichten om te gaan kopen, verzamelen of door krachtig optreden te behoeden voor vernieling wat bedreigd werd. Hun genootschap (al gauw ‘Koninklijk’, omdat ook Willem III warm liep voor hun streven) leek wel een sociëteit van geletterde notabelen, maar dan een sociëteit met dadendrang.
Het Maarten van Rossumhuis in Zaltbommel, het Gravensteen in Leiden en Amsterdams mooiste gracht, de Reguliersgracht, zijn slechts een paar van de ‘oudheden’ die verloren zouden zijn gegaan zonder de inspanningen van het KOG. In de loop van de tijd gingen andere organisaties zich met monumentenbehoud bezighouden, maar het KOG bleef verzamelen. De collectie, eigenlijk een verzameling collecties, omvat nu meer dan 35.000 objecten, waaronder vele van enorme culturele, historische en artistieke betekenis. Daarnaast werden (en worden) tentoonstellingen, lezingen en ‘kunstbeschouwingen’ georganiseerd. Alleen het museum is er nooit gekomen.
#
Nu, 150 jaar later, wordt gewerkt aan een Nationaal Historisch Museum dat is bedacht om een heel ander soort gevaar te bezweren: het verlies van het historisch besef van de Nederlanders. Het begon met de ‘nationale identiteit’, waarover publicisten en politici van allerlei gezindten zich omstreeks 2000 ineens zorgen gingen maken (na jaren waarin nationalistische gevoelens hooguit onder sportliefhebbers nog geaccepteerd waren). Immers, twee groepen mensen: jongeren en immigranten, misten iets om zich mee te identificeren. Wat betekende dat eigenlijk, Nederlander zijn? Kon je wel verwachten dat mensen goede burgers zouden worden als ze geen notie hadden waaraan ze eigenlijk loyaal, waarop ze eigenlijk trots zouden moeten zijn? Wisten Nederlanders nog wel iets van hun gemeen¬schappelijke verleden?
Verschillende ontwikkelingen vloeiden ineen. In 2001 werd gediscussieerd over de vraag wat het Nieuwe Rijksmuseum, dat na zijn verbouwing een Nationaal Museum wilde worden, moest laten zien. Even later ging het over de ‘historische canon’ in het algemeen, en werden openbare debatten gevoerd over wat daar in hoorde. Daarop stelde een door de regering benoemde commissie de Canon van Nederland samen, die in oktober 2006 werd gepresenteerd: veertien ‘hoofdlijnen’ en vijftig ‘vensters’, van de hunebedden tot de euro, die in de geschiedenisles op geen enkele school zouden mogen ontbreken. Maar dat was niet genoeg: het plan voor een museum, zoiets als het Haus der Geschichte in Bonn en tot veler verbazing vurig bepleit door SP-leider Jan Marijnissen, kreeg steeds meer steun. Over de precieze inhoud sprak men zelden; interessanter was, waar het zou komen en wie het zou ontwerpen, want een museum was een gebouw, daarover was iedereen het eens.
De vestigingsplaats voor het nieuwe NHM werd Arnhem, naast het Nederlands Openluchtmuseum (dat in het verleden ook wel eens is gedoodverfd als Nationaal Historisch Museum). Volgens de plannen moet het in 2011 zijn deuren openen, nog eerder dan het verbouwde Rijksmuseum. In een projectlab wordt dezer dagen gesproken over verschillende scenario’s voor het nieuwe museum, over beleving, identificatie en fascinatie, over het NHM als museion, als parade of als fabriek. De Canon van Nederland dient als uitgangspunt. Dat er geen eigen collectie komt staat al vast; over bruiklenen kan worden gepraat.
#
Het is een merkwaardige tegenstelling. In onze eigen, ‘materialistische’ tijd zijn het ideeën die mensen in beweging brengen; in de 19de eeuw ging het juist om objecten van betekenis, die men ijverig verzamelde met als doel, zoals het in de KOG-statuten staat, ‘de kennis der Oudheden te bevorderen, inzonderheid als bronnen voor Geschiedenis, Kunst en Nijverheid’. (Wat betreft dat laatste: dat de oude kunstnijverheid als inspiratie moest dienen voor de vormgeving in de eigen tijd was toen een belangrijke nieuwe gedachte.) Een museum vond men wel nodig, en er waren in de 19de eeuw ook aanzetten voor op verschillende plaatsen in Amsterdam, maar zuiver als vitrine voor de voorwerpen.
De lang voorbereide bouw van het Rijksmuseum door de Nederlandse overheid mondde niet uit in het gedroomde museum van de KOG-stichters. Wel werd vanaf 1887 op de begane grond van het pas geopende gebouw een royaal deel van de verzamelde schatten van het genootschap geïnstalleerd als ‘Nederlandsch Museum voor Nijverheid en Kunst’. Boven hingen de belangrijkste schilderijen van het genootschap (waaronder het geliefde Raampoortje van de jonggestorven schilder Wouter van Troostwijk). Met die belangrijke bruiklenen aan het Rijks was de stichting van een eigen museum minder urgent geworden. Tot op de dag van vandaag bleef het KOG met zijn collectie logeren in het Rijksmuseum; ook in musea elders in het land, van Medemblik tot Delft en van Leeuwarden tot Venlo, zijn bruiklenen ondergebracht.
Het genootschap heeft nu rond 500 leden: zeer geïnteresseerd, deels ook zeer deskundig, en de meesten niet meer jong. Er is één administratrice, en er zijn die 35.000 objecten… Hier en daar wordt opgemerkt, niet onbegrijpelijk, dat het KOG niet meer ‘van deze tijd’ is. Het 150-jarig jubileum van Nederlands oudste landelijke vereniging voor het behoud van cultureel erfgoed is duidelijk een moment van bezinning. Al die voorwerpen in hun donkere bewaarplaatsen, die nog niet eens volledig zijn geïnventariseerd en beschreven, je zou er somber van worden.
In november wordt een symposium gehouden met het motto: Nostalgie of noodzaak? Het is geen eenvoudige vraag – alleen al omdat je van mening kunt verschillen over beide termen. Is er iets mis met nostalgie? En moet er een noodzaak zijn, wil een instelling bestaansrecht hebben? De standpunten lopen uiteen van ‘alles weggeven, en dan opheffen’ tot ‘niks aan veranderen, want zoiets bestaat nergens meer’.
Ligt het nu niet voor de hand om de bezittingen van het KOG in één groots gebaar over te doen aan het nieuwe, jonge museum? Zou het NHM niet blij zijn met het vroeg-16de-eeuwse dressoir, dat al jaren als bruikleen tussen de topstukken van het Rijksmuseum staat? Met het vrolijk makende getekende dagboek van Christiaan Andriessen uit het begin van de 19de eeuw? De weergaloze collectie waaiers van Isabella van Eeghen? Het rijk geïllustreerde, Noord-Nederlandse getijdenboek van omstreeks 1480? En met al die dingen die niemand nu meer verzamelt, en die toch uniek zijn: een handschriftencollectie, een verzameling silhouetportretten van J.A. Schmetterling?
Nee, is het antwoord. Niet alleen zou men zich er in Arnhem geen raad mee weten, maar ook zou niemand aan het Rijksmuseum, na meer dan een eeuw gastvrijheid, de bruiklenen willen ontnemen die daar, in ’s Rijks schatkamer, al die tijd een belangrijke functie hebben gehad. Nog afgezien van de vraag of een huwelijk tussen het aloude genootschap en het hippe nieuwe canon-museum ooit gelukkig zou kunnen worden.
#
Maar ideeën zijn onbestendiger dan voorwerpen – terwijl die laatste, als je de geschiedenis wilt begrijpen, onmisbaar zijn. Alleen voorwerpen kunnen de ‘historische sensatie’ oproepen, kunnen mensen leren kijken, en navoelen wat onze voorouders bewoog. Wat wel zin zou hebben, is om – als tegenwicht tegen de buitensporige nadruk op ideeën in deze tijd – meer belangstelling te wekken voor tastbare voorwerpen, en voor wat die over het verleden vertellen.
Eigenlijk heeft het KOG daar bij de gelegenheid van zijn jubileum al een begin mee gemaakt. Het genootschap presenteert zich namelijk in 2008 met ongekend elan aan de wereld. Een jubileumcommissie heeft manieren bedacht om Nederlandse museum¬bezoekers zijn mooiste schatten te tonen, niet alleen in Amsterdam, maar op veel plaatsen in het land.
De al genoemde dagboek-tekeningen van Christiaan Andriessen worden tentoongesteld in het Stadsarchief van Amsterdam, in gebouw De Bazel. Werken van Cornelis Troost (1696-1750), vervaardiger van genrevoorstellingen en portretten in pastel, krijt en inkt, reizen naar het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. In Paleis het Loo zal de partij allerbelangrijkste Pokalen en Glazen te zien zijn, die Willem III in zijn enthousiasme aan het zojuist opgerichte KOG schonk. Waaiers van Isabella van Eeghen worden geëxposeerd in Museum Willet-Holthuysen in Amsterdam.
Behalve die vier tentoonstellingen komen er in alle elf provincies mini-tentoonstellingen, die verband houden met de plaatselijke geschiedenis. Het vroeg 17de-eeuwse vriendenalbum van de Middelburgse Anna Maria van Citters reist bijvoorbeeld voor het eerst sinds het werd aangekocht weer naar Middelburg (naar het Zeeuws Museum), en de spectaculaire zilveren ‘Beker van Zwartsluis’, in Zwolle gemaakt in 1678, naar Zwolle (het Stedelijk Museum). Zo zal het gedroomde museum van het KOG her en der in Nederland heel concreet aanwezig zijn.
Welbeschouwd is er niet zoveel nodig om de feestelijke uitbarsting van activiteit van het genootschap te bestendigen. Overal in het land, ook in het nieuwe Nationaal Historisch Museum, tussen de beeldschermen en de animaties, moet ruimte te vinden zijn voor de kennismaking met echte, onverwachte voorwerpen uit het verleden. Overal zijn thema’s te bedenken en verbanden te leggen, die tot tentoonstellingen kunnen leiden. Om voorwerpen, soms mooi, maar in ieder geval van betekenis, op verhelderende wijze te presenteren en van dichtbij te laten zien. De verzameling tastbare schatten die het KOG al die tijd heeft bewaard en aangevuld, en die in de ogen van sommigen ‘niet meer van deze tijd’ is, kan op die manier een prachtig tegenwicht vormen tegen het primaat van makkelijk bedachte en nageprate ideeën.
aug./sept 2008