Ileen
Montijn

 

Kijken naar levende mensen

Bij de opening van 'De exotische mens' in Teylers Museum, 17/1/2009

Mensen kijken dolgraag naar mensen. Er is weinig dat ze liever doen. Waarom bent u anders met zovelen naar deze opening gekomen? De tentoonstelling kunt u veel beter zien op een andere dag, op een woensdagochtend of zo, want dan is het stukken minder druk in de zalen – maar ja, dan mist u wel de opening. En iedereen weet: naar een opening of première ga je om mensen te zien, in uw geval de chic van Haarlem en omstreken, aangevuld met wat Bekende Nederlanders en hoogwaardigheidsbekleders.

Zo zijn er nog veel andere dingen die een mens doet om mensen te zien, al is dat misschien niet de officiële reden: op een terrasje zitten bijvoorbeeld, op de Markt in Haarlem, maar liever nog in een buitenlandse stad, in Rome of Parijs. Kijken naar de passanten, de toeristen, de inboorlingen met een stokbrood onder de arm, mooie jongens en meisjes op scooters. Kijken naar medemensen die een beetje (of heel erg) anders zijn dan jezelf, wat is er leuker?

Toch heeft het kijken naar andere mensen iets beladens. Het doet denken aan ondeugden, zoals nieuwsgierigheid, gluren, voyeurisme. Het is niet netjes om van een gewoon mens een bezienswaardigheid te maken. Een toneelvoorstelling bekijken, dat vinden we goed en normaal, want daar kijken we om wat de mensen doen, niet om wat ze zijn: ze treden voor ons op. Zo kijken we ook in de bioscoop of op de televisie naar acteurs, politici en andere professionele praatjesmakers. Dat vinden we legitiem, die mensen worden ervoor betaald; dus dat mág.

In het geval van soortgenoten die onderling een beetje naar elkaar kijken, bij een opening of première, of bij de zondagmiddag­wandeling in het stadspark, tillen we er natuurlijk ook niet zo zwaar aan. Maar toen ik twintig jaar geleden met mijn kleuters bij een zomers pierebadje zat, en op het punt stond om te zeggen: kijk eens wat een prachtig donkerbruin jongetje daar loopt – heb ik dat toch maar ingeslikt. Terwijl het een heel prachtig donkerbruin jongetje was; maar daar ergens ligt een grens.

En om, zoals in 1883 gebeurde, enkele tientallen Surinamers onder valse voorwendselen naar Europa halen, ze op het Museumplein achter een omheining te zetten en ze tegen betaling door het publiek te laten aanstaren, dat vinden wij nu verkeerd. Het verschijnsel is voor ons begrip zo raar geworden dat er een expositie aan wordt gewijd. Vooral in het educatieve bijwerk wijzen de organisatoren er dan ook voor de zekerheid op hoe fout het is om te doen wat onze overgrootouders in de 19de eeuw nog onbekommerd deden: naar exotische medemensen kijken.

En toch heeft dat soort voyeurisme een lange, en in elk geval deels eerbiedwaardige historie. Daarbij kun je je meteen afvragen wat ‘exotisch’ eigenlijk is; misschien is bezienswaardig een beter woord. Vorstelijke personen bijvoorbeeld zijn net als andere beroemdheden altijd opgewacht door een kijkgraag publiek, als bekend was dat ze ergens zouden verschijnen – zoals dat nog steeds het geval is als de hoofdrolspelers worden verwacht bij een filmpremière. Het kijken naar de koning werd omstreeks 1700 in Frankrijk zelfs geïnstitutionaliseerd in het ritueel rond het koninklijke bed, waar de vorst, gadegeslagen en geholpen door bevoorrechte hovelingen, uit opstond dan wel in ging liggen.

Het lever du roi en het coucher du roi waren dagelijkse evenementen aan het hof van Lodewijk XIV in Versailles. Het lever viel nog te onderscheiden in een Petit Lever, dat het wassen, kammen en (om de andere dag) scheren behelsde, en een Grand Lever, waarbij de koning werd gekleed en zijn ochtendsoepje nuttigde. Het laat zien hoezeer de koning één was met zijn functie – om niet te zeggen met Frankrijk: het ging niet om wat hij deed, althans niet alleen daarom, het ging om wat hij was.

Ook bij koninklijke maaltijden werden in het verleden wel kijkers toegelaten – niet jan en alleman, maar een select publiek, dat ook weer niet select genoeg was om zelf mee aan te zitten. Er is een brief van Mina Kruseman, actrice, zangeres, schrijfster en feministe, uit 1873 waarin het kijken naar een diner ten hove voorkomt. Zij is dan op reis in Duitsland en bevindt zich in Dresden, maar het gaat over een diner in Weimar, waar zij en haar vriendin Betsy Perk juist vandaan komen. Daar was de kersverse Duitse Keizer Wilhelm I op bezoek met zijn vrouw, keizerin Augusta, die een dochter van het huis Saksen-Weimar was. Mina schrijft over dat hofdiner aan een andere vriendin.

“Eenige dagen later hebben wij een diner ten hove gezien (zonder gezien te zijn geworden) waarbij de keizerin presideerde, half gebogen onder den last van een diamanten kroon die met duizend kleuren schitterde. Toen het diner afgeloopen was, en de vorstelijke personen de eetzaal verlaten hadden, maar de gewone gasten nog binnen waren, kwam er een zwerm knechts, meiden, koks, enz. enz. aanstormen, die als wilde dieren op hun prooi aanvielen, en de vijf lange tafels plunderden, dat het een plaisir was om te zien! Een oud wijfje, onder anderen, had zeven glaasjes wijn in haar macht gekregen en sprong als een vloo in de rondte, om er nog eenige bij te krijgen zonder kwijt te raken wat zij reeds bezat! En dan een eind verder die mooie dames met vorstelijke sleepen en die overvloedig gedécoreerde heeren, met hun schitterende uniformen, die in alle statigheid de eetzaal uittogen! Van boven af gezien, was het net een vertooning in een honden- en apenspel; eerst de gedresseerde apen in costuum, en dan de vrije broertjes in natuurstaat. De gedresseerden waren mooier, maar de vrijen waren aardiger!”[Mina Kruseman, een brief aan Mej. Hélène Gerritsen, Leiden. Dresden, 30 September 1873.]

Het kijken naar prominenten, rijken en of machtigen was in de negentiende eeuw hier en daar precies zo geïnstitutionaliseerd als het kijken naar Siamese tweelingen of Laplanders of Nubiërs – al werden die prominenten natuurlijk niet opgesloten, wat een belangrijk verschil is. Aan de andere kant vraag je je af hoe het eigenlijk ging, als er iemand even naar de wc moest, bijvoorbeeld bij het feestelijke diner ter gelegenheid van de opening van de allereerste wereldtentoonstelling in 1851 in Londen. Daar zaten de leden van de tentoonstellingscommissie, waarin ook prins-gemaal Albert zitting had, op een podium in het Crystal Palace. Er omheen krioelden de overige genodigden, die zich aan dat verheven diner konden vergapen.

Die opstelling doet sterk denken aan een Engels gebruik dat nog steeds in ere wordt gehouden in de oude colleges in Oxford en Cambridge, de High Table. Ook hier zitten de hoogleraren en hun eventuele gasten aan tafel op een verhoging, zodat iedereen ze goed kan zien, terwijl het gewone volk eet aan lange tafels die gewoon op de grond staan.

Goed, dit alles gaat dan over prominenten, die op grond van hun status mogen verwachten bekijks te trekken en zich natuurlijk ook niet hoeven te schamen voor wat dan ook, voor hun kleding of gedrag, want zij zijn de baas. Zoals u weet, is gêne vooral iets dat van beneden naar boven werkt – een baas geneert zich niet tegenover zijn knecht, een dame niet tegenover haar kamermeisje, want die zijn als personen irrelevant. Maar moeten zogenaamd primitieve stammen, pre-industriële culturen – moeten die zich dan eigenlijk wèl generen voor hun tradities? Of is het bezwaar bij de tentoongestelde Surinamers en Indonesiërs toch vooral, dat ze niet weg mochten? De kwestie van machtsongelijkheid is hierbij in elk geval heel belangrijk.

Het lijkt wel alsof die kwestie helemaal geen rol speelde bij een ander voorbeeld, nog geen honderd jaar geleden, van groots opgezet kijken naar levende mensen – of zo men wil: aapjes kijken – in Nederland, namelijk het Vaderlandsch Historisch Volksfeest dat in september 1919 plaatsvond in het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat was georganiseerd door een voortrekker van de volkskunde in Nederland, de publicist D.J. van der Ven. Het moest orspronkelijk een soort carnavalsoptocht worden, maar Van der Ven vond dat maar slap. Hij wilde the real thing, echte mensen met hun eigen gebruiken – exotische Nederlanders, zeg maar.

Hij organiseerde een manifestatie die een week duurde, waarbij uit alle hoeken en gaten van het land, van Limburg tot Groningen, mensen in streekdracht naar Arnhem kwamen om zichzelf en hun tradities te vertonen. Ze kwamen op boerenwagens over de weg, en over het water met botters. Ze brachten zo veel mogelijk van hun eigen voorwerpen mee: spinnewielen, kaaspersen, kruisbogen, noem maar op. Er werden zelfs nieuwe bijgesmokkeld, zoals de midwinterhoorns voor het traditionele Twentse midwinterhoornblazen, een gebruik dat bij deze gelegenheid schijnt te zijn uitgevonden.

Er werd gehost, gezwaaid, gegeten, gedanst, ringgestoken, vendel gezwaaid en kloot geschoten. Bereidwillig vertoonden Limburgers het volksgebruik van het draaksteken, dat eigenlijk maar eens in de vijf jaar hoort plaats te vinden, en speelden Drenten zowel als Markers hun eigen bruiloftsfeesten na, natuurlijk zonder dat in velden of wegen een echt bruidspaar te bekennen was. Maar deNRC was enthousiast over de ‘typisch karakteristieke momenten’ die deze vertoning had opgeleverd, en noemde als voorbeelden het ‘achter elkaar lopen van de bruiloftsgasten naar het stadhuis en het rondwandelen van de meisjes tijdens de plechtigheid op het stadhuis’.

Het Vaderlands Historisch Volksfeest was een denderend succes, de moeder aller braderieën, en een vroeg hoogtepunt in wat ingewijden noemen de musealisering van de Nederlandse volkscultuur. Er was een publiek van vele duizenden toeschouwers gekomen, en de kranten prezen de uitbundige maar toch gemoedelijke sfeer. De katholieke krant het Centrum verklaarde: ‘De provincialen zijn geheel in de kringen der Arnhemmers en vreemdelingen (bedoeld zijn toeristen, IM) opgenomen. Er bestaat geen scheidsmuur meer van “gekke” kleederdracht of gewestelijke smaak.’

Zo lijkt het kijken naar levende mensen ineens een  middel te zijn geworden om het begrip tussen verschillende bevolkingsgroepen te bevorderen. Dat is waarschijnlijk een beetje een rozig beeld van de werkelijkheid. Maar het is een feit dat in de loop van de twintigste eeuw tot op de dag van vandaag op allerlei plaatsen in de wereld volksgebruiken zijn vertoond aan toeristen en belangrijke bezoekers, van indianen-pow-wows in Noordamerika via rituele dansen in Afrika tot klederdracht-dragende vissersmannen en -vrouwen in Volendam. Daarbij waren motieven van nationale trots en winstbejag, zoals zo vaak in de geschiedenis, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In openluchtmusea, ook in Nederland, is living history, het uitbeelden van het leven van weleer, zeer geliefd bij de bezoekers. Maar daar zijn het natuurlijk wel weer acteurs, en geen ‘echte mensen’ die zich laten bekijken. En zelfs als er geen sprake is van acteurs, kunnen bij het aanschouwelijk maken van historische culturen dilemma’s ontstaan.

Zo is in het Openluchtmuseum in Arnhem vijf jaar geleden een barak geplaatst, waarin vanaf 1951 Molukkers waren gehuisvest die na de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië uit de voormalige kolonie naar het moederland waren gebracht. De geschiedenis van de Molukkers wordt daar behandeld als onderdeel van de vaderlandse geschiedenis: volgens mij een voorbeeldig initiatief van het museum. Juist ook voor de Molukse gemeenschap in Nederland was dit een gewaardeerde vorm van erkenning als nieuwe Nederlanders met een eigen, deels tragische historie.

In die barak gaven aanvankelijk Molukse Nederlanders de toelichtingen – overigens zonder dat ze rollen speelden of zo. Maar dat was, zoals dat heet, toch een stap te ver. Veel Nederlandse bezoekers bleken namelijk bij ‘Molukkers’ uitsluitend aan de treinkapingen van 1975 en 1977 te denken. Zij waren boos dat die kapingen maar zijdelings aandacht kregen, en sommige mensen begonnen bozige, zelfs bedreigende gesprekken met de Molukse gastvrouw in de barak. Toen heeft de museumleiding besloten om de inlichtingen in de barak niet meer door Molukkers te laten geven.

Dit verhaal las ik bij de historicus Ad de Jong, verbonden aan het Nederlands Openluchtmuseum, die een boekje heeft gepubliceerd met de titel Warme gevoelens en koude rillingen – over musea en odes aan de saamhorigheid. De Jong heeft het over het plan voor een Nationaal Historisch Museum, en waarschuwt dat musea geen geschikt instrument zijn om politieke doelstellingen uit te dragen. Dat geldt natuurlijk nog sterker voor het exposeren van levende mensen, ook als dat op initiatief, of met enthousiaste instemming van die mensen zelf gebeurt. Het verschil tussen een gemoedelijk samenzijn en een vernederende vertoning is soms kleiner dan je denkt.

Daarbij komt dat mensen ook nog eens hemelsbreed van elkaar verschillen, en dat de één het verschrikkelijk vindt om bekeken te worden, terwijl de ander ervan geniet, en de derde in staat is om zich er niets van aan te trekken. Zo vergruist het beeld helemaal, als een spiegel die op de grond valt. Wat overblijft is de zekerheid dat het kijken naar andere mensen iets zeer menselijks is, en dus zowel goede als kwade kanten heeft.