Ileen
Montijn

 

Sexty-plus

(2007)

‘Did you take Viagra today?’ Het was een cultuurhistorische mijlpaal, die vraag. Hij viel in de film Something’s gotta give (2003), over een niet-meer-jonge rokkenjager – Jack Nicholson – die met een veel te jong vriendinnetje de villa van haar moeder bezoekt. Aldaar krijgt hij een lichte hartaanval, onder het zoenen nog wel, en moet hij vliegensvlug naar een ziekenhuis. De Viagra-vraag valt terwijl hij op monitoren en infusen wordt aangesloten. Nee zeg, waarvoor? antwoordt Nicholson. Dat is dan goed, zegt de arts (een hinderlijk mooie dertiger) want in combinatie met de nitroglycerine in dit infuus zou dat dodelijk kunnen zijn… In paniek komt de patiënt omhoog, en rukt hij de naald uit zijn arm.

Hij heeft het wél genomen. Hij is succesvol, aantrekkelijk en begin zestig (Nicholson zelf was tijdens de opnamen al 66) – en hij bedient zich van een erectiemiddel. So what? Komisch wordt het pas als hij het ontkent. De mijlpaal was tweeërlei: het taboe op dit soort middelen, èn een leeftijdstaboe werd doorbroken.

Later in de film ontstaat een liefdesaffaire tussen hem en de moeder van het meisje (Diane Keaton, ook niet meer de jongste). Zijn concurrent in de liefde is niemand minder dan diezelfde jonge arts, Keanu Reeves.

Verhalen over liefde op latere leeftijd bestaan sinds onheuglijke tijden. Je had Philemon en Baucis, 2000 jaar geleden door Ovidius vereeuwigd: twee verknochte oudjes die de goden vroegen om tegelijk te mogen sterven, en daarbij veranderden in een eik en een linde, hun takken verstrengeld in elkaar. De traditie loopt door tot de film On Golden Pond, waarin Katharine Hepburn en Henry Fonda met hun bejaarde, knokige koppen een oud echtpaar vormen. In 1981 baarde alleen al het feit dat hoofdrolspelers zó oud ‘mochten’ zijn (van wie? van de miljoenenbusiness die film heet) opzien.

Maar die verhalen gingen over liefdes die niet roestten, over gelieven die zich netjes als bejaarden gedroegen, en dus ook netjes in hun kleren bleven. De revolutie van onze eigen, gelukkige tijd is, dat mensen van zestig jaar en ouder ineens niet alleen een warm gevoelsleven blijken te hebben, maar ook een lijf. Ze worden verliefd, opgewonden zelfs, ze doen aan sex – het zijn net mensen.

Ik zie het voortdurend om me heen. Vriendin A. (60), die kort geleden de liefde van haar meisjesjaren heeft teruggevonden – een beroemdheid in zijn tijd, nu tachtig – en als verliefde tieners lopen zij beiden door de wereld. Vriend B. (toevallig ook 60), die dag en nacht zijn mobieltje in de gaten houdt omdat hij vreest een sms van zijn geheime beminde te missen; hij leeft van afspraak naar afspraak. En C. (64), die vier jaar geleden – ik kan het ook niet helpen – de vrouw van zijn leven leerde kennen. Hij belt haar dagelijks vier keer, en regelmatig omhelzen zij elkaar, uit dan wel thuis.

Lezer, ik weet wat u nu denkt. Daar zit wel wat in. Nee, niet dat ik zelf zestig ben, al geeft de leeftijd van sommige van mijn vrienden wel te denken. Maar met de jaren verandert je perspectief, omdat ‘ouderdom’ nu eenmaal voor je uit schuift zoals het bekende plakje schuifkaas: als de boterham op is, is het er nog steeds. Het leven gaat gewoon door, net als de liefde, en dat zie je pas als je er zelf bij bent.

En toch is er overduidelijk iets veranderd. In de Westerse samenleving van nu zijn mensen van zestig jaar en ouder stukken jonger dan hun ouders op die leeftijd waren. Hedonisme is in de mode, ‘genieten’ welhaast een morele verplichting (Geniet, maar drink met mate, maant zelfs de overheid) – en zo raar als dat is, juist voor een leeftijdsgroep die vanouds als hoogste ideaal kreeg toegemeten ‘stil leven’, heeft dat iets moois. ‘U vindt dit fijn hè?’ vraagt de nurkse jonge Jessie aan de afgeleefde acteur Maurice (Peter O’Toole), als zij hem minzaam toestaat aan haar hals te ruiken in de film Venus (2007). ‘Er is niets anders,’ antwoordt hij plechtig.

De oudjes doen het nog best, zo stond boven een beschouwing over de recente golf van ‘Sexty plus’-films in een gerenommeerd avondblad. Dat klopt, maar het interessante is dat de ‘oudjes’ als groep zoetjesaan lijken te verdwijnen. Het blijken gewoon mensen te zijn.

 

(Geschreven voor de bundel Zest!g, in 2007 gepubliceerd bij het zestigjarig bestaan van ABN-Amro voor relaties van deze bank)