Ileen
Montijn

 

Inloopkast

7 augustus 2014

De meeste kleren worden de meeste tijd niet gedragen. Maar waar zijn ze dan? Hoe worden ze bewaard: opgerold, gevouwen, gehangen, gestapeld? Wat zijn de verschillen, historisch, geografisch? Werelden van vragen gaan open.

In de Forsyte Saga, Galsworthys beroemde familie-epos, las ik een passage waarin iemand een huis betreedt, de butler neemt zijn jas aan, en dan loopt hij door terwijl die zijn jas opvouwt. Opvouwt! Het is 1901 en er is geen kapstok. Dus ook geen kleerhangers. Waar ging die jas heen – was er een legkast in de garderobe?

Het blijkt dat de kleerhanger – het knaapje, zoals mijn vader zei – pas in de 20ste eeuw opkwam. Pas toen werd het ook voor niet-rijken normaal om twee keer, en misschien wel tien of vijftig keer méér kleren te bezitten dan men tegelijk kon dragen.

Het moderne ideaal is de inloopkast, kijk maar in de woonbladen, waar zulke kasten altijd weldadig half leeg zijn, met ton-sur-ton kleren zoals in een boutique. (Idee: zoals de hotelkamer het model is geworden voor de droomslaapkamer, is de winkel het model voor de kast.) Stof tot nadenken, kortom.

Eerst maar eens de was opvouwen.