Ileen
Montijn

 

Slome

4 augustus 2007

Dat waren de eerste ‘afspraakjes’ in mijn leven, met de smalle, bleke B. von B. (zie hieronder, 20 juli). Hij kwam mij ophalen bij onze achterdeur, praatte in de keuken even beleefd met mijn moeder, en dan gingen we wandelen in het bos. Naast elkaar, wel anderhalf uur lang. Er is een cartoon van Peter van Straaten, een man en een vrouw lopen samen, zij lacht geforceerd en er onder staat: Nou moet jij ’s wat zeggen, slome! Dat waren wij – alleen zei ik dat natuurlijk niet, en trouwens, wij waren kinderen.
    Maar ja, het was onnoemelijk saai. We spraken over velerlei onderwerpen en altijd was hij het met me eens. In mijn hart wist ik dat we elkaar voor de afwisseling zouden kunnen aanraken, of zelfs zoenen. B. had daar ogenschijnlijk geen notie van – en dat ik zou beginnen, was uitgesloten: ik was toch het meisje? Toen de boel na drie afspraakjes nog steeds niet wilde vlotten, besloot ik om mijn eerste Dear John-letter te schrijven. Dit kon zo niet doorgaan.