‘Een leuke jongen, jammer dat zijn vader een winkel heeft,’ zegt het ene meisje tegen het andere op de eerste bladzij van Zonnekind, een meisjesboek uit 1926 door Felicie Jehu. Een winkel, dat was niks, daar keek de echte chic op neer. Heel veel meisjesboeken van vóór 1960 zijn vanuit zo’n upper-class standpunt geschreven.
Het fascinerende van Zonnekind is dat het helemaal over stand en status gaat. Vaders zaken gaan slecht, het gezin met zes kinderen moet verhuizen van een groot, deftig huis naar een benauwd benedenhuis; dat alles gezien door de ogen van een 15-jarige. Juf (de kinderjuffrouw) komt mee naar het nieuwe huis, maar er zijn ineens geen dienstboden meer. Alleen nog een werkster – en dat blijkt een heel keurig ‘vrouwtje’ te zijn, dat ook nog kinderen heeft… hoe kan dat? Wie doet dan bij haar thuis het werk, vraagt Meta, het Zonnekind? ‘Daar heeft ze een keukenprinses en een juf voor,’ grapt haar broer George. — Het is een mensenleven geleden, maar wat is het ver weg. Ik ben blij dat ik me voor twee euro over dit boek ontfermd heb.