Er stond een kweeperenboom in de tuin van het huis in Wenen, waar wij woonden tussen mijn zevende en mijn elfde. Ik vond dat jammer, want het was de enige echte fruitboom in de tuin, die voor een groot deel in beslag werd genomen door een vierkant betonnen zwembad – en die kweeën vond ik onbeschrijfelijk vies. Even vies als rode bieten, en de kümmel die je in Wenen aantrof in van alles: in het brood, de zuurkool – en in de bietensla, bedenk ik nu ineens weer.
Kweepeer is ook een wonderlijke smaak. Het woord ‘wee’ speelt erbij mee, er zit iets obsceens aan, ik kan het nog steeds navoelen – terwijl ik intussen kweeperen heel erg lekker ben gaan vinden. Ze zijn ook zo mooi, kinderlijk geel, grillig gevormd, ongenaakbaar hard, maar als je de moeite neemt om er iets van te maken word je betoverd door die geur. Deze week maakte ik compôte van kweeën. Ik vond hem zelf eerlijk gezegd heel lekker. Maar het bezoek waarvoor ik het had gemaakt, overtrof met zijn enthousiasme mijn stoutste verwachtingen. O, die verrukkelijke kweeëncompote, mag ik je recept?
Zo bezweert een mens de smaakduivels uit zijn jeugd. Ook op bieten en kümmel ben ik nu alweer jaren dol. Het moet iets zijn met strijd en beloning – maar ja, als je het zo ziet wordt het weer heel banaal.