Frank Duveneck, The whistling boy (1872), detail
Nog zoiets: fluiten. Op de kijkdag van een veiling waar ik laatst was, was een van mijn mede-kijkers voortdurend zachtjes aan het fluiten. Waarom? Dat is een interessante vraag. Volgens mij is het een soort gêne, en doet iemand dat juist omdat hij weet dat er mensen binnen gehoorsafstand zijn, om zich (zoals dat heet) een houding te geven.
Mijn vader floot op de wc. Om het klateren te maskeren, dacht ik vroeger altijd; maar het is misschien ingewikkelder. Een ding weet ik zeker: diezelfde vader van mij zou zich nóg meer dan ik hebben geërgerd aan de fluiter op de kijkdag, hoe zacht en melodieus die zijn wijsjes ook ten gehore bracht. Hij zou hem misschien zelfs hebben aangesproken op zijn gedrag. Want fluiten kàn niet, fluiten is streng verboden volgens de etiquette, overal, maar zeker binnenshuis, waar anderen er last van kunnen hebben. ‘We zijn hier niet in een stal, zeg,’ zoiets zou hij hebben gezegd.
Misschien floot mijn vader daarom op de wc: omdat het elders niet mag.