Ileen
Montijn

 

In de spiegel

3 augustus 2015

G.H. Breitner, Het oorringetje (1893). Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

G.H. Breitner, Het oorringetje (1893). Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Iedereen heeft een spiegelgezicht. Zoiets als het fotogezicht, maar dan voor privégebruik, dus zonder glimlach, maar wel met het verlangen om er ‘voordelig’ uit te zien. ‘Mama, waarom doe jij altijd je hoofd een beetje scheef als je in de spiegel kijkt?’

Geen mens ziet er uit zoals hij zichzelf in de spiegel ziet: wijdogig, strak, stil. Nog onmogelijker is het, te weten hoe je er van achteren uitziet, bijvoorbeeld bij het passen van een jurk. Zo vertrouwd als de rug en het achterwerk van je naasten zijn, zo onbekend blijft je eigen achterkant. Natuurlijk kan het, met twee spiegels, in luxe pashokjes. Maar het blijft gedoe.

Je vraagt je af hoe mensen in het verleden, toen spiegels oneindig veel schaarser en kleiner waren dan nu, beoordeelden hoe ze er uit zagen. Wat zagen ze, wat konden ze zien? Naomi Tarrant schrijft erover in het nieuwste nummer van Costume. Heel interessant, maar één hulpmiddel vergeet zij te noemen: de pasdame. Een eeuw geleden kwam in de betere winkels een dame met vergelijkbare maten opdraven om jouw mogelijke aankopen te passen. Zo kon je moeiteloos het effect van achteren bekijken. Dat is pas luxe.