Ileen
Montijn

 

Avondje Elfriede

11 juni 2010

Münchner Kammertheater: Rechnitz

Münchner Kammertheater: Rechnitz

Nu heb ik toch zowaar een toneelstuk gezien van Elfriede Jelinek, de onverbiddelijke Oostenrijkse Nobelprijswinnares. Rechnitz, heet het: de naam van een Oostenrijks dorp waar in maart 1945 een gezelschap notabele feestvierders 180 joden doodschoot. De moordpartij is door plaatselijk stilzwijgen nooit opgehelderd.

De hele intellectuele chic van Amsterdam was naar de Stadsschouwburg gekomen, van Bram de Swaan tot Sybolt Noorda, van Elsbeth Etty tot Martin Brester. Dus dat was alvast leuk. Wat ook meeviel, was dat het toneelstuk niet opdringerig náár was. De acteurs – eersteklas acteurs uit München, hun woorden werden drievoudig boven- en neventiteld in een vrij povere vertaling – kleedden zich niet naakt uit (dwz ze hielden hun ondergoed aan, de rest ging wel uit). Er was geen bloed en geen oorverdovend lawaai; zelfs de schoten die, zoals te voorspellen was, op een gegeven moment op het publiek werden afgevuurd, waren qua geluid uit te houden. Bovendien waren het losse flodders.

Maar verder niets dan armoe. Wat moet je ook met zo’n gegeven? Tucholsky, gevraagd waarom hij nauwelijks schreef over de nazi’s, antwoordde al: wat kun je schrijven over abject gespuis? Dat het abject gespuis is? Elfriede Jelinek kent die moeilijkheid niet. Ze vertelt niets wat je niet al wist of kon bedenken. Haar personages krijgen geen coherente rollen te spelen, maar monologen vol zinloze associaties. Heel veel woorden die een schijn van diepzinnigheid wekken omdat er soms iets absurds tussen zit. Daders en slachtoffers, jaja, dat is niet zo simpel als het lijkt… – hoezo niet? Wat bedoelt ze? Maar dat mag je niet vragen, want het is kunst. Of zo.

Ach, het was eigenlijk niet anders dan je kon verwachten. Maar de deftigheid waarmee zo’n onbetekenend toneelstuk wordt gepresenteerd èn ontvangen – dat verbaast je toch nog meer als je het met eigen ogen ziet.