Ileen
Montijn

 

Barry Lyndon

24 december 2006

Barry Lyndon weer gezien – een feest en een ogentroost van een film. Het is vreemd om een film die je je van dertig jaar geleden herinnert (hij is uit 1975, gemaakt door Stanley Kubrick) nu opnieuw te zien, een beetje wantrouwig tegenover je eigen enthousiasme van toen. Maar ik vond hem nu nog beter, zag meer. Bijvoorbeeld dat het gevoel van het begin af aan te worden meegesleept, ook een literaire oorzaak heeft: in de roman uit 1844 van W.M. Thackeray, waaruit soms als voice-over stukjes worden voorgelezen — al is de tekst omgezet van een ik-verhaal naar één in de derde persoon. Dat is ook goed, want de film is een soort tale without a hero geworden (het motto van Thackerays beroemdste boek, Vanity Fair). Barry, gespeeld door Ryan O’Neal, heeft nauwelijks karakter, geen echt gezicht: alles gebeurt, beweegt, kolkt om hem heen, zelf is hij een marionet.
    En dan hebben we het nog niet over de schoonheid van de film als film, de waanzinnige schemerscènes bijvoorbeeld, wat een lef om zo te filmen; en de muziek, die almaar dóórgaat, je meeneemt en drie uren lang alert houdt. Wat zijn er toch een mooie dingen in het leven.