Erwin Blumenfeld, Décolleté
Het décolleté is al een tijdje terug. ‘Een gezellige ontwikkeling’, noemde ik dat (ilog 31 maart 2007) – maar het is toch ingewikkelder. Zo merk ik dat ik iemands boezem toch liever ’s avonds zie dan ’s morgens. En: liever ’s zomers buiten, dan ’s winters op kantoor. Wat is dat voor raars, en waarom toch?
Het zijn conventies die diep in ons zijn geworteld, puur door de cultuur waarin wij zijn grootgebracht. Rond 1900 waren er – bij mensen die aan zulke dingen deden – strikte regels over hoeveel je van de vrouwelijke boezem mocht zien, naakt dan wel aangekleed. Het verschilde met de gelegenheid en de tijd van de dag. Bij diners en bals was een flink décolleté niet alleen toegestaan, maar feitelijk verplicht, een soort eerbewijs. Hoe chiquer, hoe bloter, tot ontblote schouders toe. Behalve jonge meisjes en oude dames, die droegen halfhoog (toilette demi-montante) of hooggesloten. Maar wie overdag zelfs maar een handbreed huid onder haar hals zou hebben getoond, was mal, of verdorven, hoe dan ook: een outcast. En kennelijk hebben ze die regels er zo ingebakken, dat ze nog steeds een beetje te voelen zijn.