Ileen
Montijn

 

Dikke boeken

19 juli 2008

Margaret Mitchell, Gone with the Wind (eerste druk: 1939)

Margaret Mitchell, Gone with the Wind (eerste druk: 1939)

I’ll think about it tomorrow, dacht ik vlak voor ik ging slapen na een tobberige avond – en viel subiet in slaap. Maar niet dan nadat ik nog even gedacht had aan Scarlett O’Hara, de heldin van Gone with the Wind, want die zei dat altijd, als iets haar te moeilijk was. (Meestal ging het om gewetensvragen: die waren voor Scarlett al gauw te moeilijk.)

Arjan Peters heeft het in de Volkskrant over het literaire prestige van het onleesbaar dikke boek – maar dat hij die twee eigenschappen in één adem noemt, en blijft noemen, is eigenlijk heel raar. Hij zegt (wat hij duidelijk zelf een gewaagde opmerking vindt): dikte wordt vaak als een teken van kwaliteit opgevat. Daarbij suggereert hij dat zulke boeken altijd een heel werk zijn om te lezen. Maar dat is natuurlijk niet waar! Sommige dikke boeken – zoals Gone with the Wind – zijn door en door leesbaar. En dat vinden mensen die voor hun plezier lezen juist fijn; niet de literaire critici zoals Peters natuurlijk, want voor hen tellen zulke page-turners niet eens mee. Maar ook bij de deftige boeken die Peters zelf noemt, zitten leesbare – zoals De boeken der kleine zielen – en onleesbare. Dat lijkt hij niet eens te merken.

Critici spreken alleen over boeken die je moet lezen, of beter, gelezen moet hebben, ocharm. En zij krijgen er tenminste nog voor betaald – maar denk eens aan al die arme stakkers die er geheel onbezoldigd zo over denken.