Over wit gesproken. Sommige bijrollen in Richard Strauss’ opera Die Frau ohne Schatten (nu in het Muziektheater) zijn niet alleen in het wit gekleed, maar ook wit beschilderd, hun gezichten dan, met zwarte symbooltjes en kriebeltjes er op. Dat is even eng om te zien als een motorhelm of auto met ondoorschijnend zwart glas, waarvan je maar moet hopen dat het van binnen uit wèl doorzichtig is – of een niquaab natuurlijk. Als je geen ogen, geen gezicht ziet, ben je hulpeloos.
Na die eerste schrik viel het mee. Net als burgers onder een dictatuur zijn we, wat de enscènering betreft, al heel gauw opgelucht. Bijvoorbeeld doordat de hoofdrolspelers vrij normaal gekleed zijn, en alleen de nare voedster een wit gezicht heeft, maar zonder zwarte kriebeltjes. Verder is en was de muziek schitterend, wat een tovenaar is die Strauss, en wat zongen ze mooi.
Toch is het wrang, om in het librettoboekje allemaal gezellige aanwijzingen voor de decors te zien, waarvan er niet één is opgevolgd op het hoogst abstract gehouden toneel. Waarom toch? Ik ben voor een authentieke enscèneringspraktijk. Met schemerlampen, vergezichten en bootjes, alles wat de auteur zelf zich voorstelde. Mensen die er meer verstand van hebben dan ik zeggen dat die heus wel komt. Maar of we het nog zullen beleven – dat is de vraag.