Ileen
Montijn

 

Geslachtsdelen

4 september 2010

Juan Sanchez Cotan (1560-1627), stilleven met kwee, kool, meloen en augurk

Juan Sanchez Cotan (1560-1627), stilleven met kwee, kool, meloen en augurk

‘Hij maakt goede schilderijen maar je kunt ze niet goed zien, want er zitten overal geslachtsdelen voor.’ Ik geloof dat Renate Rubinstein dat schreef over de schilderijen van Melle. Het geeft mooi weer hoe het voelt om zulke schilderijen te zien – natuurlijk is het preutsheid waar je last van hebt, maar dat kun je niet helpen.

Waarom zou je eigenlijk geslachtsdelen schilderen? Het hoeft toch niet? (Hihi, voor je het weet klink je als de mensen die, jazeker, helemaal voor de vrijheid van meningsuiting zijn maar toch vinden dat bepaalde dingen gewoon niet kunnen.) Ik ben niet tegen het schilderen van geslachtsdelen. Maar de uitnodiging voor de tentoonstelling Schaamstukken van Ina van Zyl in het Haags Gemeentemuseum heb ik weggegooid, omdat ik het zo’n naar plaatje vond. Kijk hier.

En nu schrijft Gijsbert van der Wal een heel aardig, groot stuk over diezelfde tentoonstelling in NRC Handelsblad. Heb ik me vergist? Geslachtsdelen zijn net zo verschillend als gezichten, zegt Gijsbert: dat maakt ze interessant om te schilderen. Hij weidt leuk uit over precedenten, haalt er natuurlijk L’origine du Monde bij van Courbet, en een mooi detail uit een schilderij van Jan Gossaert. Grote schilders allebei.

Maar ik geloof toch niet dat ik me vergist heb, want een goede schilderes noemt hij Ina van Zyl nu ook weer niet. Hij bevestigt veeleer mijn indruk dat ze akelige, grauwe schilderijen maakt, die niet zouden worden opgemerkt als er geen genitaliën op stonden. En die vergelijking met gezichten is echt onzin. Oren zijn ook allemaal verschillend, wat zeg ik, borden stamppot zijn verschillend. Maar om er interessante kunst van te maken moet je gewoon goed zijn. En dan nog zou ik misschien die oren kiezen, of die borden stamppot.