crinoline
Zondag was er een goed bezochte lezing in het Van Goghmuseum door Sara van Dijk, kostuumhistorica. Zij vertelde over de jurken op de schilderijen van Alfred Stevens, u weet wel. Over crinolines (en wat een nuttige uitvinding dat was, gegeven dat je zulke wijde rokken wilde), over het allereerste modehuis in Parijs (Worth, ’t was een Brit); ze liet zien hoe Stevens dezelfde jurk soms hergebruikte, en dat sommige van de afgebeelde jurken helemaal geen jurken waren, maar juist deshabillés, wij zouden zeggen: kamerjassen. Allemaal aardige dingen, waar de meeste mensen in het gehoor van opkeken.
Maar als iemand in die zaal dacht: wat een prachtvak, daar wil ik meer van weten – dan komt die van een koude kermis thuis. Mode mag dan erg in de mode zijn, de geschiedenis ervan kan niet meer aan een Nederlandse universiteit worden bestudeerd. De studierichting die Sara van Dijk in Leiden volgde, is opgeheven. Het ‘marktdenken’ beheerst de universiteiten. Als een vak even wat minder studenten trekt, denken ze niet: daar moeten we zuinig op zijn, anders gaat een deel van de cultuur naar de haaien, nee, ze denken: afschaffen die boel, dat scheelt weer in de kosten. Ik vind dat krankzinnig, en strijdig met de beschaving.