Een voordeel van het krijgen van kinderen vind ik, dat je pannekoeken leert bakken. Pardon, pannenkoeken. Dat kan ik nu echt. Daarvóór dacht ik dat pannenkoeken bakken iets heel zenuwachtigs was, waarbij je steeds het vuur moest bijstellen, beslag loskrabde van de muur en je kleren, en zwetend heen en weer holde tussen het fornuis en de tafel – maar dat was een vergissing. Hoe kwam ik erbij?
Nu bestier ik, schort voor, koelbloedig twee koekepannen (koekenpannen?) met constant, middelgroot vuur er onder. Het Russische spreekwoord, behelzende dat de eerste pannenkoek altijd een zooitje is, gaat voor mij niet op, welnee. Of het beslag op de goede dikte is voel ik aan, plakjes spek of appel worden souverein meegebakken, de stapel op het bord op de pan met heet water groeit gezwind – en ik vind het leuk.
Alleen een ding is vreemd. Laatst zei ik aan tafel dat ik pannenkoeken eigenlijk het lekkerste vind met gemberjam, zoals we die vroeger vaak hadden. Mijn gezin keek glazig. Gemberjam? Dat hadden ze nog nooit gezien, ze geloofden zelfs niet dat er zoiets bestond. En nu vraag ik mij steeds af: hoe zit dat, in welke verborgen tijdlus in mijn leven woont die gemberjam?