Bedsteetrapje in de Hindelooper kamer
Het Fries Museum zal in september na ruim een jaar dicht te zijn geweest, opengaan in een nieuw gebouw in Leeuwarden. Om die verhuizing had niemand gevraagd of er zelfs maar aan gedacht – het museum zat in twee fraaie, kunstig onderling verbonden gebouwen aan de Turfmarkt.
Maar toen kwam er een erfenis van de architect Bonnema (die Leeuwarden ook al had verrijkt met een ijselijk hoge, zwarte wolkenkrabber). Er was één voorwaarde: de 18 miljoen euro waren voor een nieuw museumgebouw op het Zaailand. Niet dat dat er uit kon, maar zoveel geld wilden de bestuurders ook weer niet laten lopen. Ondanks tegenstand van vrijwel heel Leeuwarden en iedereen met verstand is de nieuwbouw er toch gekomen.
Vanochtend meldde de Volkskrant wat ze hebben bedacht om de heropening luister bij te zetten: een installatie vol bloederigheid en sadisme van een Duitse kunstenaar, John Bock. Hij maakt daarbij gebruik van een van de topstukken van het museum, de Hindelooper kamer. Een conservator, duidelijk gespeend van cultuurhistorisch gevoel, verklaart dat de bezoekers ervan net zo’n exotische ervaring zullen hebben als de mensen die de stijlkamer in 1878 op de Parijse Wereldtentoonstelling bezochten.
De Hindelooper kamer, van onder tot boven betegeld en ingericht met beschilderde meubels, was 135 jaar geleden in Parijs inderdaad een groot succes. Hij was zo uniek, dat hij het hart werd van het kort daarna opgerichte Fries Museum. Ach, misschien is het ook eigenlijk wel een toepasselijke installatie: pijn in het hart van het eens zo trotse museum, dat de speelbal werd van bestuurlijke ambities.