Kraaiend van plezier heb ik gisteravond de Rijmkroniek des Vaderlands, deel 1 gelezen. Prins Willem Alexander vertelt de kleine Amalia voor het slapengaan van de opkomst van de Nederlandse Republiek, in viervoetige iamben, met zo nu en dan iets persoonlijks er tussendoor. De beide dichters, Jean Pierre Rawie en Driek van Wissen, zaten vorige week broederlijk naast elkaar bij de heropening van het Geheel Vernieuwde Letterkundig Museum. Als ik hun Rijmkroniek al gelezen had, had ik me aan hun voeten geworpen vanwege dit epos.
Dat het leuk zou zijn lag in de rede, maar dit is zó grappig en volmaakt van vorm, en er zitten zelfs voor de historicus snoepjes bij zoals een bronnenlijst en wat summiere noten achterin, dat ik het helemaal niet meer kon wegleggen. De Beeldenstorm, het Beleg van Haarlem, de dood van de Zwijger… het is allemaal precies goed gedoseerd tragi-komisch, met een enkel welgemikt anachronisme.
Hoe de vergelijking uitvalt met de Oranjeseries die dezer dagen van de tv rollen zou ik u wel willen uitleggen, lezer – maar bedenkt u het zelf maar. Vanavond zit ik op de bank met deel 2: de Gouden Eeuw. Wie zegt dat dit zorgelijke tijden zijn?