Uil pakte de ketel uit de kast. ‘Vanavond ga ik tranen-thee zetten,’ zei hij. Hij zette de ketel op zijn schoot. ‘Zo,’ zei Uil, ‘ik ga beginnen.’ Uil bleef heel stil zitten. Hij begon aan heel verdrietige dingen te denken.
Ik had een discussie met een vriendin over de vraag of het prachtige verhaal dat zo begint, ‘Tranen-thee’ van Arnold Lobel (1933-1987), nu over de hoofden van kinderen heen is geschreven. Ik geloof daar niets van. Het is universeel, en het heeft dat snufje krankzinnigheid dat literatuur zo mooi kan maken – niet alleen die voor kinderen, trouwens. ‘Tranen-thee’ staat in het boek Bij Uil thuis. Uil denkt aan liedjes die niemand kan zingen omdat niemand de woorden meer weet, en lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt, of potloodjes die te klein zijn geworden om vast te houden. Van de tranen die in zijn ketel vallen zet hij thee. ‘Het smaakt wel een beetje zoutig,’ zei hij. ‘Maar tranen-thee is toch altijd weer heerlijk.’