Caspar David Friedrich, Der Mittag (1822)
Op zoek naar steun voor het idee dat het wandelen is ‘uitgevonden’ in de Romantiek, verdwaal ik in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, dat majestueuze naslagwerk in 43 delen – die tegenwoordig op één cd-rom staan, en trouwens ook via internet te raadplegen zijn. Het woord ‘wandelen’ heeft met ‘verandering’ te maken, met Wandlung! En natuurlijk wandelden mensen al veel langer geleden, lezer: de dingen zijn nooit zo simpel als ik zeg.
Wat je waarschijnlijk wel kunt volhouden is, dat in de Romantiek het wandelen een soort ideaal werd, iets waarvan je een beter mens werd. En, zo menen sommige historici, iets bij uitstek burgerlijks; iets waarmee de betere burgerij zich afzette tegen het plebs, dat slechts uit armoe te voet ging, maar ook tegen de adel, die sinds jaar en dag kuierde in tuinen en parken. Peter Peters heeft er in 1998 een essay over geschreven in Hollands Maandblad, waarin het vooral ging over Schuberts Winterreise (1823-’28), een romantische wandeltocht bij uitstek. Daar is de wandeling niet verheffend, maar juist een en al treurnis en ontheemd-zijn. Maar ach, zo mooi.