Eten moet zijn plaats kennen, daar komt het op neer. Het kan zo heerlijk zijn – zoals vanavond: precies goed gare spaghetti, met saus van een rest parelhoenvlees (champignons, beetje kardemom) – maar dat klinkt alweer vreselijk aanstellerig, toch? Over eten moet je het niet steeds hoeven hebben. Je geniet en prijst als het lekker is, en eet gewoon als het gewoon is. Ik vind het heerlijk om te maken, erover te lezen, ernaar te kijken, het te proeven.
Wat zo storend is aan moderne fijnproevers, is dat zij steeds afgeven op andere mensen en hun eten. Alsof zij alleen kunnen genieten door voortdurend te hakken op supermarkteten, en op te scheppen over de peperdure delicatessen die zij zich veroorloven. Gewoon even iets maken, iets praktisch wat toch lekker is, iets snels zonder fratsen, ligt buiten hun blikveld. Dat doen kunstliefhebbers toch ook niet, of lezers van literatuur: steeds maar roepen dat het zo erg is dat andere mensen van kitsch of bouquetromans houden?