Piet Mondriaan, de Oostzijdse Molen aan het Gein
Jaren geleden, ik woonde nog in Abcoude, werd ik gebeld door een wethouder met culturele ambities: of ik wilde meewerken aan het maken van een ‘poëzieroute’ door het Gein. Er zouden tekstborden komen op mooie plekjes langs de rivier, waar de wandelaar of fietser een gedicht kon lezen – over de schoonheid van de natuur of zo. Beleefd heb ik geweigerd. Tekstborden in het groen, wat een raar, bevoogdend, goedkoop idee; alsof het asfalt van de dijk, de hoogspanningsmasten en de aanblik van Amsterdam aan de horizon niet méér dan genoeg stadse beschaving langs het riviertje vormden.
Het Parool van gisteren meldt dat Judith Herzberg heeft bedankt voor de eer om een gedicht te mogen leveren voor één van 100 (honderd!) ‘poëziepalen’ in het Vondelpark. Heel goed. Nog meer rommel in het park? Poëzie is kennelijk een soort pasmunt, iets dat zó hoog staat dat je het mensen op alle manieren door de strot mag proberen te duwen – tot meerdere glorie van de duwers zelf natuurlijk.