Ileen
Montijn

 

Déesse

19 juni 2008

Ergens rond 1961 of 1962 gebeurde er iets bijzonders in mijn kinderleven. We kregen een Citroën DS, een wonder van een auto, glad, zacht verend, bijna buitenaards. Eigenlijk was de eerste een ID, maar dat maakte weinig uit (de ID was een ‘uitgeklede’ versie van de DS, iets later gelanceerd). Groen was die eerste, met een dak in een andere kleur – mijn broertjes weten misschien nog welke. De volgende, de DS, was donkerblauw, dat vond ik mooier.

Roland Barthes, filosoof, schreef een beschouwing over de Citroën DS. Hij noemde haar het moderne equivalent van de gotische kathedralen (ze zijn nooit bang voor grote woorden, die Fransen). Interessanter is zijn opmerking dat het publiek vooral gefascineerd was door de joints van de DS, de naden, de plaatsen waar hij open kon, die ramen zonder sponning. Want het naadloze, het lisse hoort bij perfectie (de mantel van Jezus was uit één stuk geweven) en daarom werden mensen bij het zien van dit aerodynamische mirakel juist gefascineerd door hoe het in elkaar zat. Enfin, zoiets.

Hoe kom ik hierop? O ja, door een radioreclame waarin een jongen opschept dat zijn vader een nieuwe Ferrari heeft, wat aan het eind een Opel Vivaro blijkt te zijn – die líjkt niet eens op een Ferrari, maar des te ontwapenender is het radiospotje.