Albrecht Dürer: Melencolia
Het is het vagevuur: het verpleeghuis. Vrouwen in zware rolstoelen – een enkele man – met papieren slabben voor, morsig, verstijfd of rusteloos, zitten aan een tafel. Daarop liggen nog sporen van het eten: de verzorgsters doen wat zij kunnen, maar wat haalt één paar handen uit? Onvermijdelijk blijft ook wel eens een bed lang onopgemaakt, een kin stoppelig.
Het ergste, denk ik, is de versuffing, het nietsdoen. Wie dement is kan alléén met gerichte aandacht nog een beetje communiceren. Gerichte aandacht is nodig om van ieder afzonderlijk vast te stellen wat zij nog zou willen of kunnen, welk voorwerp of plaatje, welke muziek een kleine opleving zou kunnen brengen. Een moment waarin iemand wiens geest bijna weg is, nog even voelt dat zij een mens is, iets betekent. Maar voor zulke aandacht is geen tijd. Mensen die daarvoor hebben geleerd, ontbreken. Er is al te weinig verzorging te vinden!
Honderdtachtig euro per bewoner per dag, dat is wat Nederland over heeft voor zijn verpleeghuizen. Een nachtje in het Hilton kost meer, zoals Bert Keizer, Nederlands beroemdste verpleeghuisarts, onlangs op een familieavond zei. Voor gedetineerden is ook een hoger budget. De kwetsbaarste, ongelukkigste, meest hulpbehoevende mensen die er zijn hebben pech gehad: zo zijn de prioriteiten nu eenmaal.