Dat voedingsvoorlichting in de oorlog is bedacht, zoals ik hieronder schreef, is natuurlijk niet waar. Wat nieuw was, was dat de overheid zelf hier ineens een taak zag en een bureau oprichtte, in plaats van dat slechts particuliere instanties (zoals de Maatschappij tot Nut van’t Algemeen, of huishoudleraressen) zich geroepen voelden om de mensen tot betere voedingsgewoonten te bekeren. Dat laatste was al eind 19de eeuw begonnen. Er zat altijd iets bevoogdends bij – maar in tijden van schaarste en armoede had zulke voorlichting toch ook wel zin, geloof ik. Pas nu, in een tijd waarin de Nederlanders gezonder zijn en langer leven dan ooit tevoren, springt de zotheid van overheidsinspanningen en -plannen op dit terrein je soms in het gezicht.
De gretigheid waarmee alle politici en alle kranten sinds kort dikte een ‘epidemie’ noemen, een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, en iets waartegen moet worden opgetreden met vet-taxen, anti-suikerwetten en snackbarverboden, is bevoogding in een nieuw jasje. De zin ervan is afgenomen, en meer dan ooit is het een manier om te zeggen: ‘kijk mij eens beter zijn dan al die suffe vetzakken’.
Het is en blijft a class thing. Mensen worden slanker en gezonder als ze beter onderwijs en meer geld krijgen; alleen zijn die dingen lastiger te verwerkelijken dan een vestigingsverbod voor snackbars.