Zondagmiddag in de trein. Een man en een vrouw in de eerste klas, vrijwel alleen. Ze zijn allebei zeer fors, en zomers gekleed. Ze kijken naar een kind in badpak dat op het perron loopt, een heel dun meisje. Zij schat het op 45 pond.
Hij: Vijfenveertig pond, dat woog ik al toen ik één jaar was. Echt waar, vijfenveertig pond. Toen heeft mijn moeder nog een prijs gewonnen met mij, van de havermout. Honderdvijftig gulden. Dat was best veel. Er werd een advertentie gemaakt met een foto van een ander ventje, klein en dun, en één van mij. We hadden allebei een bordje voor ons staan. Op mijne stond: ik eet havermout. Op zijne: ik niet.
Zij: En je had misschien nog nooit havermout gegeten…
Hij: Nou, dat wil ik niet zeggen. Ik heb het altijd lekker gevonden hoor, pap.
Zij: Ja, ik ook. Mmm, pap met een klont boter…
Hij: Met boter en suiker…
Zij: Ja, boter en suiker en kaneel…
Hij: Kaneel?
Zij: Ja hoor, lekker, kaneel erbij.