Ileen
Montijn

 

Voorval

12 oktober 2008

Hij was dertien, en hij reed te dromen (als je dat kunt zeggen) op weg naar hockeytraining. Ik kwam van de kapper. Het was een stevige klap, ik viel op mijn eigen fiets en deed mij pijn, en was zo geschrokken dat ik hem, zittend op het rode asfalt, vreselijk heb uitgescholden. Dat moet een raar gezicht zijn geweest. Toen ik was opgestaan en zag dat mijn voorwiel totaal verbogen was, begon ik opnieuw te foeteren. Veel te fel en te uitvoerig – het zijn niet je beste eigenschappen die boven komen in zo’n situatie.

Hij hoorde me blozend aan, verontschuldigde zich, legde uit dat zijn moeder hem ook altijd waarschuwde dat hij beter moet opletten… maar het duurde lang voor ik zelf enig moederlijk medegevoel kon opbrengen. Gelukkig had hij niks. Met mij viel het trouwens ook wel mee.

Het mooie aan zo’n voorval is dat je weer ziet hoe aardig mensen zijn. Er was een jonge vrouw die nergens mee te maken had, maar die afstapte en erbij kwam staan om te zien of ze kon helpen, om te troosten en te bemiddelen. Later kwam een echtpaar op een scooter aangereden: die waren langsgereden en bij nader inzien omgedraaid, voor alle zekerheid. Ze bleven nog een hele tijd bij me staan praten. We waren het roerend eens over de gevaren van het moderne verkeer.