Ileen
Montijn

 

Traviata

27 april 2009

Eens, tien of vijftien jaar geleden, ging het doek van het Muziektheater omhoog, het decor werd zichtbaar, het was stil in de zaal, tot iemand uit het publiek luid en hartgrondig riep: Gadverdamme! Ik heb dat (apocriefe) verhaal altijd erg bevredigend gevonden. Wat regisseurs de laatste jaren hebben gedaan – ik herinner me een Wozzeck met allemaal gele driehoeken, vol platte symbolische betekenis, een Trovatore, met veertig of zestig mannetjes aan een gestileerde tafel, er mocht duidelijk geen spatje ontroering opkomen, fuck Verdi…

Vorige week was ik bij La Traviata, geregisseerd door Willy Decker, decors van Wolfgang Gussmann. Het decor was kaal, gestileerd, een grote halfronde schutting op het toneel, en aan het eind zelfs geen bedje voor die arme stervende Violetta… maar tegenstribbelend moest ik toegeven: het had wel wat. Er zaten vondsten in, en fraaie beelden. Die maskers, dat koor in herenpakken. Het belangrijkste was: het leek allemaal niet te zijn bedacht om aandacht te trekken en het effect van de muziek te breken, integendeel.

Natuurlijk, het hielp dat de musici de sterren van de hemel zongen en speelden. Verdi op z’n best, kippenvel, een enkele traan (bij dat schrijnende begin van de derde acte, o!) dat was er allemaal.

Het kan dus wèl. Een ‘authentieke enscèneringspraktijk’, dat lijkt me mooi, schreef ik vorig jaar op deze plaats. Dat denk ik nog steeds; maar het is ook prettig om te zien dat een hedendaagse regie, onder een gelukkig gesternte, echt mooi kan zijn.