Vissers (en een ambtenaar) c. 1910, collectie RIVO
Je hebt aan: een hemd, een t-shirt, een wollen coltrui, nog een wollen trui, een wind- en waterdicht zeilpak, waarvan de broek ook een deel van je bovenlichaam bedekt. Een muts. De zon schijnt – en je hebt het koud. Het is mei, in de stad zitten ze op terrassen. Maar hier, op het water, giert de koude wind. Je bent al blij dat je niet aan het roer hoeft te staan, waar de schipper regelmatig bakken ijskoud zeewater over zich heen krijgt. Beuk, beuk op de golven. Koud, koud.
Als we zo varen – het was prachtig hoor lezer, van Vlieland naar Makkum gisteren, een klein tochtje in vliegende vaart, en toen we vanaf Harlingen eenmaal vóór de wind richting Kornwerd zeilden, was het ergste achter de rug – overvalt mij altijd een groot medelijden met de zeelieden van vroeger. Hoe hielden die het vol, in hun logge botters, met jassen van oliegoed, linnen hemden, baaien broeken en ik hóóp genoeg truien? Wat een leven. Al dat zoute water, keiharde touwen, geen plastic, geen motor – en die moesten echt, terwijl wij in Makkum in onze warme auto stappen en voldaan naar huis rijden.