Rüdiger Safranski, Romantiek. Een Duitse Affaire. Vert. Mark Wildschut
Gisteravond zaten we in het huis van Goethe, zoals de gastvrouw zei: Herengracht 470 in Amsterdam. Door de grote open ramen was het groen van de tuin te zien, dat langzaam verblauwde in de schemering. De vogels zongen onophoudelijk, je hoorde zelfs een klok, ergens.
Wij hingen aan de lippen van Rüdiger Safranski, de Duitse schrijver wiens laatste boek gaat over de Romantiek, die hij eine deutsche Affäre noemt. Hij vertelde over Novalis, de bloedjong gestorven dichter (en tevens mijnbouw-ingenieur). En over Wagner, en daarna over Thomas Mann, die, toen in 1914 onder Duitse intellectuelen een Deutungsfieber ohnegleichen uitbrak, het onderscheid maakte tussen het Apollinische en het Dionysische, en vergeefs een lans brak voor politieke onschuld. Later schetste hij in bevlogen zinnen het probleem van Heidegger en de nazi’s; toen hij zweeg, bleef nog even een ademloze stilte hangen.
Ik moest denken aan het korte gedicht van Rudi ter Haar, De uitvinding van de romantiek: De zon gaat onder / ik voel me bijzonder. Het klopt, dat vat alles samen. Maar hoeveel méér er over te zeggen is, dat maakte Rüdiger Safranski wel erg mooi duidelijk. (Zijn boek, in 2007 in het Duits verschenen, is nu vertaald bij Uitgeverij Atlas.)