Ileen
Montijn

 

Zeeman met Naipaul

2 augustus 2009

V.S. Naipaul (1932)

V.S. Naipaul (1932)

Wie een grote mijnheer wil worden, moet de eerste zijn om zichzelf héél serieus te nemen. Dat wist ik, en ook was me bekend dat de schrijver V.S. Naipaul daarvan een goed voorbeeld is. Maar vandaag zag ik op de tv een oud gesprek (1998) van Michaël Zeeman met Naipaul, dat me toch nog weer verbijsterde.

Zonder een spoor van zelfrelativering oreert Naipaul over het verval van culturen en de pijn die zijn schrijverschap inspireert, over de Britse geschiedenis die hij ‘goed’ noemt, en de Nieuwe Wereld die hij minacht… Zeeman heeft àlles van Naipaul gelezen; hij stelt vragen die telkens in de roos blijken te zijn, en de man inspireren tot weer nieuwe, deftige uitweidingen. Bijvoorbeeld of hij, Naipaul, eigenlijk te vroeg, dan wel te laat is geboren: eerst leek het antwoord ’te laat’ te worden, in verband met de verloren heelheid van de wereld. Maar het werd toch ’te vroeg’, omdat zijn eerste boeken niet de weerklank vonden die de latere ten deel viel, en de wereld daar dus nog niet geheel rijp voor was.

Heel beleefd vraagt Zeeman dan naar het verdwijnen van de ironie, die in die eerste boeken nog te vinden was, uit zijn werk. Het meesterlijke antwoord: ironie, ach, dat is toch vaak een teken van gedesoriënteerdheid, ja, zelfs de achterkant van hysterie. Zulke zwakheden had de schrijver nu duidelijk overwonnen.

En aldoor, terwijl ik zat te kijken, vroeg ik me af: wat dacht Zeeman zelf over al die dodelijke deftigheid? Zag hij die, ondanks zijn bewondering voor de man, en zat hij hem te voeren – of niet? Herkende hij er misschien zelfs iets van zichzelf in? Helaas, we kunnen het hem niet meer vragen.