Van het lezen en schrijven over de adel, zoals ik nu al bijna drie jaar doe, krijg je een beetje een eigenaardige blik op de wereld. Valt ergens een dubbele naam, dan kijken mijn naasten mij tegenwoordig vragend aan tot ik zeg (meestal): neenee, niet van adel. Of soms natuurlijk: jazeker, Gelderse familie (of zo). Heel soms moet ik het opzoeken. Laatst liep ik die lijst van de 200 invloedrijkste Nederlanders in de Volkskrant na, samen met iemand die al veel langer thuis is in die sferen. Nu was ik degene die soms even twijfelde, en hij die met stelligheid (meestal) zei: nee. Toch waren daar vier adellijke mannen bij: twee procent – een flinke score, als je bedenkt dat maar een half promille van de bevolking van adel is.
In de bijlage CS van NRC Handelsblad stond vorige week (24/11) een artikel over de nieuwe voorzitter van de Raad van Cultuur, waarin ook Berend Jan baron van Voorst tot Voorst aan het woord kwam, een andere culturele bestuurder (hoewel niet een van die 200 van de Volkskrant). Interessant vond ik dat de schrijver hem ergens halverwege het artikel terloops aanduidde als ‘baron van Voorst tot Voorst’ – niet met nadruk, niet alsof zo’n titel een rariteit was, maar meer alsof hij – Yaël Vinckx – het heel gewoon vond. Volgens mij zou je dat tien jaar geleden niet zo in een krant hebben aangetroffen.