Een jonge tuin rond een oud gebouw – het is een mooi klein park geworden daar bij het Rijksmuseum. Het noodt tot verpozen. Met die overweldigende oude vleugelnootboom, een oude en een nieuwe loofgang, sobere bloembedden tussen buxushaagjes en met als vrolijke toegift de bedriegertjesfontein van Jeppe Hein. Je kunt overal zitten, al mag je niet roken: ik denk dat dit het eerste Nederlandse park met een rookverbod is.
De beelden van Henry Moore die nu worden geëxposeerd zijn duidelijk te groot voor een tuin als deze: die horen in weidse landschapsparken. En de kille aluminium klimrekken van Aldo van Eyck, gemaakt voor wederopbouwwijken in de jaren vijftig en later door Van Eycks bewonderaars de hemel in geprezen – wat moeten die hier? Het Rijks is almaar in de weer met de veilige iconen van het modernisme, die geenszins aansluiten bij de eigen collectie, alsof ze zelf vinden dat hun oude schatten niet aanlokkelijk genoeg zijn.
Nee, echt mooi zijn de beelden van Romeinse keizers (van marmer en van lood) in hun groene nissen; het antieke tuinhuisje van Van Logteren; en die merkwaardige terracotta tuinbank van W.C. Bauer (Marius’ tragische broer, die in architectuurfantasieën deed). Die passen in de parktuin van een museum als dit.