Lichthal De Bonneterie, Amsterdam
‘Er is geen land waar wij niet kopen,’ vertelde de heer Cohen, directeur van de Bonneterie, bij het 50-jarig bestaan van de winkel (Algemeen Handelsblad, 18/3/1939). ‘Wij brengen japonnen uit New York en ceintuurs uit Parijs; wij kopen kousen in Canada en bustehouders in Hollywood. Een deel van onze wollen jumpers komt uit Wenen; de badgoederen, de corsages, onze tassen, onze sjaals, de peignoirs en de handschoenen, wij betrekken ze alle uit landen die dagreizen sporens van elkander verwijderd zijn. En wat per trein ons niet vlug genoeg bereikt, dat komt per vliegtuig uit alle oorden.’
In 1939 werkten er 750 mensen bij de Bonneterie: als verkopers, maar ook in de naaiateliers op zolder, de expeditie, de administratie. De winkel was groot geworden met chique confectie, vooral tricot (gebreide stof), wat omstreeks 1900 nog een nieuw materiaal was. Het Amsterdamse en het Haagse filiaal, allebei ontworpen door winkelarchitect A. Jacot (1864-1927), waren paleizen van licht en luxe.
Zelfs de Duitse bezetting, die de dood betekende voor veel van de voornamelijk joodse personeelsleden, heeft de Bonneterie niet klein gekregen. Maar zeven of acht jaar geleden was de tearoom aan het Rokin, waar je in rood pluche gezeten kugel en bagels kon eten, ineens verdwenen. En hoe modern Cohens verhalen over de inkoop van 75 jaar geleden nu ook nog klinken, de wereld van de mode is ingrijpend veranderd. De Bonneterie wordt geschiedenis, net als Hirsch, Meddens en andere steunpilaren van het deftige kleden van weleer.