Coles Phillips, advertentie voor Boston Garter sokophouders, Amerikaans, 1911
Louis Couperus reisde in 1921 met de boot naar het Verre Oosten. Onderweg zag hij schitterende zonsondergangen, die hem hevig ontroerden. O, al het aardse weg te werpen in die in goud badende zee! zei hij tegen een vriend die naast hem aan dek stond. Even vreesde die dat de schrijver aan zelfmoord dacht.
Maar hij vervolgde: ‘Gisteren stond ik over de verschansing geleund… Ik had een paar lievelingssokken, die niet meer te dragen waren… Ik moest er afstand van doen, al ging het aan mijn hart… Maar ze waren vies en leelijk geworden… ik heb gewacht tot zonsondergang… En toen, – toen heb ik ze zelf over boord geworpen… Ze huppelden nog even in het schuimende zog van het schip… Toen verdwenen ze,… eerst de een, dan de ander… Ze waren oud en leelijk geworden… Maar hun sterven heb ik tot iets moois weten te maken, amicissimus!’
Het verhaal staat in de biografie van Couperus door Frédéric Bastet – een geweldig boek, omdat de schrijver zijn hoofdfiguur zo goed begrijpt. Volgens hem was het geen aanstellerij, van die sokken. Couperus’ leven was ‘doortrokken van dit soort intieme esthetische ontroeringen: kinderlijkheden die menigeen altijd weer ontwapend hebben’. Ik vind dat mooi gezegd.