Iedere keer als ik een draad in een naald steek om met de hand iets te naaien of verstellen hoor ik wat de handwerkjuf op mijn Weense lagere school altijd zei: Langes Fädchen, faules Mädchen, kurzes Fädchen, fleissigs Mädchen.. Lang draadje, lui meisje, kort draadje, vlijtig meisje. Heel irritant vond ik dat, want met een korte draad moet je veel vaker afhechten en een nieuwe nemen. Maar ja, een lange kan hopeloos in de war raken, en ook blijft er vaak een heel eind garen over, dat je dan moet weggooien. Zonde.
‘Garen is duur’, beaamde de verkoopster in de stoffenwinkel onlangs, toen ik opkeek van de prijs van een klosje garen. Vier euro voor 200 meter, je kunt het uitrekenen: twee cent per meter, voor iets waarvan je altijd dacht dat het onmeetbaar goedkoop was, zoiets als water – dat tegenwoordig ook niet meer niks kost.
Dus moeten we maar blijmoedig stilstaan bij de weelde van een doos vol klosjes garen in alle kleuren van de regenboog (nu ja, van de dingen die je ooit hebt genaaid). Garen, zo egaal, zo dun, zo zonder knoopjes of rafels: hoe lang bestaat dat al: honderd jaar, honderdvijftig? Het is er in verschillende diktes, in honderden kleuren, van katoen of polyester – net als de naalden, dikker, dunner, langer, spitser… werelden van varianten, van potentiële kennis, waar wij, amateur-naaisters, weinig idee van hebben. We doen maar wat. Maar één ding weet ik zeker, dank zij de vermaningen van die juf wier naam ik allang ben vergeten: langes Fädchen, faules Mädchen.