Pierre Bonnard, tafel
‘Wil je nog een aardappeltje met jus?’ vraagt Moeder aan Vader. Het vlees is op, de bordjes zijn leeg – maar Vader mag, als hij wil, bij wijze van toegift nog best een lekker aardappeltje met jus. Het is (dacht ik) een geijkte, knus-Hollandse vraag. Navraag in mijn omgeving leert echter dat andermans moeders dat nooit zo vroegen. De vraag is niet uit het leven gegrepen, maar domweg uit mijn leven.
Mensenlevens kunnen worden naverteld in termen van eten. Wat at je het liefste? Toen ik klein was, was mijn lievelingstoetje ananas met slagroom. De ananas was uit blik, geconserveerd in dik-stroperig sap, de room geklopt met zo’n klopper met een draaiwieltje, dat een prettig ratelend geluid maakte. Kreeg je dat vaak? Nou nee, zo nu en dan. Als kind dacht je soms even aan de mogelijkheid dat je iedere dag zoiets goddelijks zou kunnen eten. Als je volwassen zou zijn, of stinkend rijk. Zo’n idee verdrong je dan gauw weer; het was natuurlijk niet reëel.
Dat veel ouders het tegenwoordig te moeilijk vinden om hun kinderen niet steeds maar al die dingen te geven waar ze zo blij van worden – dat lijkt me een serieus probleem.