Als het een beetje kil begint te worden, trek ik tegenwoordig mijn zijden kamerjas aan, net als deftige heren in de 17de eeuw al deden: mijn japonsche rock. Chapan, Japan, japon, het moet allemaal hetzelfde woord zijn, en de mijne komt niet uit Japan maar uit Oezbekistan. Mijn jas is met de hand gemaakt van zwart met bleekroze zijde die is geweven met een ikat-achtige techniek. Van binnen is hij gevoerd met gezellig roodbont bedrukte katoen, die daar Russische katoen schijnt te heten. Door gelukkig toeval kwam hij in mijn leven: een vriend bleek te houden van de lappen en dekentjes uit die streken, en geheime wegen te kennen om ze naar Amsterdam te halen. De mooiste dingen zijn altijd onverwacht.