Kleren en taal, er is veel over te zeggen. Zo mag het rompertje dan nog bloedjong zijn, het ‘rompie’ of ‘rompje’ bestaat al héél lang, zo meldt mij een lezeres. Het is een kort onderjakje, meestal zonder mouwen, dat bij de Noord-Hollandse streekdracht hoort. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, die fantastische bron, noemt het ook wel een borstrok en ziet het als een variant van ‘romp’. Een heel andere etymologie dus dan het vrolijke rompertje, gemaakt van gebuitel en gestamp.
Over de string – in mijn ogen het toppunt van ongemak – is het laatste woord nog niet gesproken. Ik heb de draagsters laatst onrecht aangedaan: ze deden het heus niet om sexy te zijn, althans niet allemaal. Een andere lezeres, veel jonger dan ik, vertelde dat zij een tijdje strings had gedragen omdat het destijds in haar omgeving héél erg gênant werd gevonden als het randje van je onderbroek te zien was onder de stof van je kleren. Dat willen de vrouwen met lycra-omspannen billen anno 2026 natuurlijk ook voorkomen.
Daarmee springt de string ineens naar de categorie tepelkapjes en sous-bras: dingen om te voorkomen dat de wereld iets ziet wat verborgen moet blijven. Lusjes voor beha-bandjes, ook zoiets. (Vergis ik me, of is de gêne voor randjes, tepels, zweet en bandjes in onze tijd toch minder geworden?)
Maar er blijken zelfs vrouwen te zijn die de string gewoon lekker vinden zitten. En dat bewijst maar weer dat kleding puur cultuur is. Het lichaam plooit zich, en went aan álles, als het maar met overtuiging wordt aangetrokken.